Een referendum dat er toe doet: terugblik op drie weken WIV-debatten

Paul Abels

Mijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence Services aan de Universiteit Leiden kwam op een wel heel bijzonder moment. Kort nadat de lange aanstellingsprocedure was afgerond, kregen vijf studenten van de VU het voor elkaar dat er een raadgevend referendum gehouden zou worden over een nieuwe Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV), die net door het parlement was aangenomen. Daarmee belandde mijn leerstoelthematiek plots in het middelpunt van de publieke belangstelling en het maatschappelijke debat. Ik stond daarmee voor de keus eerst rustig het academische veld te verkennen en dieper te duiken in de vakliteratuur over inlichtingenstudies, of mij nadrukkelijk te mengen in het debat. Een echte keuze was dat niet, want vele media en organisatoren van debatten wisten mij onmiddellijk te vinden, omdat ik als een van de weinige experts op dit terrein kan bogen op een lange ervaring (34 jaar) als inlichtingenproducent en – consument bij achtereenvolgens de BVD/AIVD en de NCTb/NCTV. Ik besloot de handschoen op te pakken en te doen waarvoor ik onder meer ben aangesteld: inzicht verschaffen in de taken, werkwijzen, aansturing van en controle op de geheime diensten.

Met Karin Alberts van Radio1

In totaal heb ik de afgelopen drie weken aan zeker twintig debatten en talloze interviews (NRC, Leidsch dagblad, podcasts, stemwijzers en websites meegewerkt (Radio1, BNR, 1Vandaag, Nieuwsuur, AT5). Dat hadden er nog veel meer kunnen zijn want er is wat af gediscussieerd in den lande over de WIV, door tegenstanders en onwetenden consequent  aangeduid als de ‘Sleepwet’. Mijn inbreng bestond verder uit het actief twitteren over de materie en het schrijven van diverse opinieartikelen en een hoofdstuk in een themanummer van Justitiële Verkenningen, over ‘Intelligence leadership’. Al met al een ongekend heftige vuurdoop, die ook voor mijzelf veel inzichten heeft opgeleverd, maar mij ook deed belanden in soms ingewikkelde belangenafwegingen en dilemma’s. Als wetenschapper, wiens 0,2 leerstoel wordt gefinancierd door de NCTV, en die een deel van zijn tijd ook nog in dienst is als raadadviseur van diezelfde coördinator, is het zaak steeds transparant te zijn in welke hoedanigheid je spreekt en schrijft en te vermijden dat belangenverstrengeling optreedt. Daarbij was het van meet af aan voorspelbaar dat die onafhankelijkheidsvraag door deze en gene gesteld zou worden. Toch gebeurde dat maar sporadisch, wat enerzijds ermee te maken zal hebben gehad dat de NCTV slechts in afgeleide zin belanghebbende is (ontvanger van inlichtingenproducten) en anderzijds dat mijn verbondenheid met die organisatie op geen enkele manier verzwegen is. Mijn consequente reactie op die kritiek is dan ook geweest dat men mij moet beoordelen op basis van mijn bijdragen aan de discussie en mijn argumenten.

DG AIVD Bertholee (l) en een van zijn voorgangers, Van Hulst (r.) in gesprek met de voorzitter van de CTIVD, Brouwer. Tijdens de oratie op 16 februari jl.

Het was een gelukkig toeval, dat mijn oratie gepland stond voor 16 februari, aan het begin van de hele referendumdiscussie over de WIV. Ik heb die gelegenheid aangegrepen door te keuzen voor een onderwerp dat direct met de nieuwe WIV te maken heeft, de zogeheten Geïntegreerde Aanwijzing (GA). Mijn waarschuwingen tegen de gevaren van politisering van inlichtingen door deze nieuwe vorm van aansturing van de diensten door politiek en bestuur werden weliswaar door verschillende media opgepikt, maar vonden in de debatten van de maanden die erop volgden nauwelijks weerklank. Daarin overheerste de ‘sleepnet’- bevoegdheid in de nieuwe wet in alle gesprekken, alsmede enkele aanpalende bevoegdheden, zoals het bewaren van DNA-profielen, het hacken via derden en de bescherming van advocaten en journalisten. De GA-materie was wellicht te ingewikkeld en het bleek moeilijk de politiek en ambtenarij kritisch te laten kijken naar de risico’s die verbonden zijn met hun eigen bemoeienis met de I&V-diensten. Hier keurt niet de slager zijn eigen vlees, maar willen de keurmeesters niet door anderen gekeurd worden.

Met Europarlementarier Sophie in ‘t Veld bij Jonge Democraten in Nijmegen

Naast de GA, is ook het delen van ongeëvalueerde data met buitenlandse diensten een terugkerend punt van kritiek van mij geweest in de debatten. Daarbij vond ik de meeste van de tegenstanders van de wet aan mijn zijde, zoals Amnesty, Privacy First, Bits of Freedom en – last but not least – de Piratenpartij. Tegelijk heb ik ook steeds zware kritiek gehad op de campagnes van deze organisaties, omdat deze in belangrijke mate gebaseerd waren op het zaaien van ongerustheid en angst bij de burgers op basis van een volstrekt onjuist en uitvergroot beeld van diensten die 24-uur per dag alle burgers zouden willen afluisteren en volgen.

In Tivoli-Utrecht in debat met Bits of Freedom

In de Rode Hoed met Douwtje Lettinga (Amnesty), Rob van Wijk (Leiden) en Hans de Zwart (Privacy First)

Voor een deel lijkt deze stellingname terug te voeren op een onbegrip over wat inlichtingenwerk behelst en hoe dit verschilt van opsporing en vervolging. Voor een ander deel lijkt het ook een bewuste vertekening van de werkelijkheid te zijn geweest, vanuit het campagnedoel om zoveel mogelijk tegenstand tegen de wet te mobiliseren.

Jansdebat in Goudse Sint-Jan met prof. Marc de Vries van TU Delft

Een cruciale rol in het hele proces speelde het satirische TV-programma Lubach op Zondag. Dankzij de aandacht die dit programma besteedde slaagden de vijf studenten van de VU die het initiatief namen tot een referendumaanvraag erin op het laatste moment alsnog de vereiste aantallen handtekeningen te verzamelen. In de maanden daarna bleef dit programma bezwaren tegen de WIV op quasi luchtige wijze opvoeren, waarmee het nee-kamp een geduchte medestander had in Lubach.  Daarmee verwerd satire tot journalistiek-activisme in een komisch jasje, waar voorstanders van de wet maar moeilijk tegenspel aan konden bieden. De normale journalistieke uitgangspunten van woord en wederwoord gelden hier immers niet.

Met Jelle van Buuren in Nieuwspoort

Gelukkig hanteerden de meeste organisatoren van debatten dit uitgangspunt wel, al hadden zij vaak de grootste problemen mensen te vinden die zich publiek wilden uitspreken voor de wet.

Collegetoer met Quirine Eijkman voor de Soroptimisten Gouda

Omdat ik besloot dat wel te doen, aangezien er volgens mij een goede balans zit tussen bevoegdheden en toezicht en er op details na een evaluatie over twee jaar nog gerepareerd kan worden, werd ik een veelgevraagd expert. Ook mijn oud-collega bij de AIVD, Kees Jan Dellebeke, werd veelvuldig benaderd.  Van officiële (overheids)zijde trad vooral het hoofd van de AIVD op de voorgrond, Rob Bertholee, en – in mindere mate – zijn collega van de MIVD, Onno Eichelsheim. Verder viel selfmade expert Peter Koop op, interceptie-expert, die haarfijn kan uitleggen dat het sleepnet allesbehalve ongericht is. Pas in het allerlaatste stadium traden ook de politici, verantwoordelijk voor de wet, in de arena, minister van BZK Kajsa Ollongren voorop, gevolgd door de MP, collegaministers en enkele Kamerleden. Met name Kees Verhoeven van D66 had het zwaar te verduren, omdat hij met de komst van het nieuwe coalitiekabinet  een draai van 180 graden moest maken van verklaard tegenstander naar enthousiast voorstander.

In de Balie in Amsterdam met een oud-Kamerlid van de PvdA

Inhoudelijk en procesmatig laat het referendumdebat een aantal positieve en negatieve zaken zien. Zo blijkt opnieuw dat zo’n simpel ja of nee feitelijk onmogelijk is bij dit soort, zeer ingewikkelde vraagstukken. Debat over zo’n vraagstuk is goed, maar het is van meet af aan een ongelijke strijd. Tegenstanders zijn altijd in het voordeel, omdat in campagnes alle nuances verloren gaan en een zeer breed onderwerp verkleind kan worden tot een klein onderdeeltje: sleepwet. Voorstanders moeten daar het genuanceerde verhaal tegenover zetten, wat altijd moeilijker verkoopt dan een botte nee. Ook doen tegenstanders weinig moeite aan te geven hoe het dan wel moet; dat laten zij maar al te graag aan de voorstanders over. Daarbij helpt het ook niet dat de meeste parlementariërs achterover leunen, omdat hun werk met het aannemen van de wet immers gedaan is. Zij zouden veel meer hun best moeten doen het resultaat uiteindelijk ook tegenover de kiezer te verdedigen.

Voor landelijk congres Jonge Democraten in Wilmink-theater Enschede

Uitermate positief is het politieke engagement van een grote groep jongeren. Het waren studenten die het bijna afgeschafte middel van het raadgevende referendum reanimeerden met een maatschappelijk zeer relevant thema. Anders dan bij het vorige referendum over de Ukraine ging het dit keer over iets dat iedere burger aangaat. Bovendien is het de allereerste keer in de Nederlandse geschiedenis dat er breed en uitvoerig gedebatteerd is over de vraag wat wij verwachten van I&V-diensten en tot hoever ze zouden mogen gaan. Ook zorgde de volksraadpleging ervoor dat de diensten behoorlijk uit hun oesterkramp kwamen en de natie uitlegden wat ze doen en waarom. Pure winst voor een open democratische samenleving. Burgers zijn inmiddels volwassen genoeg om te begrijpen dat diensten nodig zijn om de nationale veiligheid te beschermen. Hun bestaansrecht werd in dit debat ook door niemand meer ter discussie gesteld.

Met Dave Berghuis van de Piratenpartij in Enschede-Roombeek

Wat mij betreft doet de uitslag van het referendum er morgen niet eens meer zo toe. Belangrijk voor de toekomst en voor het vertrouwen in politiek en diensten is dat het kabinet en de Kamer de uitkomsten van de debatten serieus nemen. Zij zijn niet alleen wettelijk, maar ook moreel verplicht serieus in te gaan op de gehoorde bezwaren en commentaren en ervoor te zorgen dat deze op de een of andere wijze geadresseerd worden, om meegenomen te worden in de evaluatie, die al over twee jaar zal plaatsvinden. Ook de medewerkers van de diensten zelf en de commissies van toezicht (TIB en CTIVD) hebben ongetwijfeld goed geluisterd naar de bezwaren en zorgen van veel burgers, en ik ben ervan overtuigd dat zij deze zeker zullen meenemen in hun besluiten om te oordelen over de inzet van bepaalde bevoegdheden. Ook in dat opzicht zal deze referendumdiscussie daadwerkelijk effect sorteren.

Met Ton Siedsma van Bits of Freedom voor Studentenvereniging Lipsius in Leiden

 

In Nieuwsuur op 27 februari

 

Het Grote WIV-debat van ISGA, een thuiswedstrijd in Leiden met Peter Koop, Inge Philips-Bryan en Constant Hijzen

 

 

Verslag Het Grote WIV Debat

Maud Koper

Op 19 maart vond een debat over de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 plaats op de Spaanse Trappen van het Wijnhavengebouw van de Universiteit Leiden. Dit debat werd georganiseerd door het ISGA, Institute of Security and Global Affairs, in samenwerking met het LUSSA, de studievereniging voor de nieuwe bachelor Security Studies en de master Crisis and Security Mangement. Paul Abels, Constant Hijzen, Inge Philips-Bryan en Peter Koop lichtten vanuit verschillende oogpunten het debat rondom de Wiv 2017 toe.

Wiv 2002 verouderd
Als eerste sprak bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence and Security Studies Paul Abels over zijn kijk op de Wiv 2017. Hij stelde dat het waardevol is dat het debat over wat we verwachten van de diensten en hoe ver de diensten mogen gaan is aangewakkerd naar aanleiding van het referendum op woensdag 21 maart. Abels acht de Wiv uit 2002 verouderd, de wereld zag er zestien jaar geleden immers heel anders uit. Het blijkt dat communicatie inmiddels voornamelijk via de kabel verloopt, waardoor het onder strikte voorwaarden mogelijk moet zijn om gericht een netje uit te kunnen werpen. Privacy mag worden aangepast, omwille de veiligheid.

Ook kritiek
Hij stipte wel twee kritiekpunten op de WIV 2017 aan. Allereerst noemde hij het gevaar van delen van ongefilterde massagegevens met andere diensten. Ieder dienst heeft natuurlijk zijn nationaal belang, en het zomaar delen van deze informatie zorgt ervoor dat er een risico bestaat dat deze gegevens misbruikt worden. Er zouden hiervoor dus extra waarborgen in de wet moeten worden ingebouwd. Als tweede kritiekpunten noemde Paul Abels de veranderde bemoeienis van de politiek met het beleid en de diensten. Vroeger werden de AIVD en MIVD gezien als ‘vissen die tegen de stroming in zwommen’, door de wet zal dit mogelijk omkeren. Politici, in plaats van professionals, zullen gaan bepalen op welk onderwerp moet worden gefocust, en dat is in de ogen van Abels problematisch.

Overheid loopt achter
Vervolgens kwam Inge Philips-Bryan aan het woord, directeur van Cyber Risk Services bij Deloitte. Zij vindt dat de overheid op dit moment niet goed geëquipeerd is om de grote golf van cyber crime in te dammen. De overheid loopt dus achter de feiten aan, terwijl de overheid zou moeten ingrijpen op het niveau van de infrastructuur. Bovendien kaartte zij aan dat niets zo gericht is als ‘ongerichte’ interceptie, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt. Ongerichte interceptie, zo benadrukte ze, is juist een gefocuste en getrechterde actie.

Toegang tot de kabels
Peter Koop, journalist en schrijver van electrospaces.blogspot.com, belichtte vervolgens de technische kant van de WIV. Hij nam de term onderzoeksopdrachtgerichte interceptie, ook bekend als ‘ongerichte interceptie’, onder de loep. Als de wet zou worden ingevoerd, zou er in Nederland op vier (geheime) locaties de mogelijkheid voor ongerichte kabeltoegang worden gecreëerd. Ook gaf hij inzicht in de gelaagdheid van deze bijzondere bevoegdheid. Hij legde uit dat er op basis van een geïntegreerde aanwijzing onderzoeksplannen met vragen en methodes worden opgesteld. Deze methodes zijn op te delen in algemene bevoegdheden en bijzondere bevoegdheden. Deze methodes mogen niet zomaar worden toegepast maar moeten voldoen aan drie wettelijke criteria: noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

Historische achtergrond
Tot slot besprak Constant Hijzen, assistent professor bij het ISGA, de geschiedenis van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland. Hij haalde voorbeelden van brieven uit het archief aan, die klachten over de optreden van inlichten- en veiligheidsdiensten bevatten. Ook schetste hij een beeld van hoe de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vroeger, met techniek die minder ontwikkeld was dan nu, te werk gingen.

Kritische vragen uit het publiek
Op vragen uit het publiek werd vervolgens geprobeerd een antwoord te geven. Er werd besproken dat Nederland in principe wel denkbaar zou zijn zonder verdere uitbreiding van bevoegdheden zoals voorgesteld in de Wiv 2017, maar dat de achterstand die Nederland heeft dan alleen maar groter zou worden. Wat betreft het delen van ongefilterde data met andere ‘bevriende’ diensten, zou dit mogelijk moeten zijn in geval van een grote noodzaak of ernst van de dreiging. Een absoluut verbod op het delen van ongefilterde informatie met andere diensten zou ook niet ideaal zijn. Iemand in het publiek vroeg zich daarop af of het delen van deze gegevens met diensten überhaupt wel goed werkt, aangezien er al meerdere aanslagen in Europa zijn geweest. Paul Abels antwoordde daarop dat het juist daarom van belang dat diensten meer informatie kunnen verkrijgen, omdat er nu maar met snippers informatie wordt gewerkt en juist de verbanden tussen de snippers informatie van groot belang kunnen zijn in het voorkomen van een aanslag.

Geheime diensten in de democratische rechtsstaat

Constant Hijzen

Het referendum over de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten op 21 maart heeft in ieder geval iets losgemaakt: er wordt in kleine ruimtes en grote zalen door heel het land gedebatteerd over de wet. Ook wordt er meer journalistieke aandacht aan besteed dan eerder het geval was.

Speciale uitgave Justitiële Verkenningen
Om vanuit academisch perspectief een rol in dat debat te kunnen spelen, hebben we onlangs besloten om een nummer van Justitiële Verkenningen aan deze thematiek te wijden. Samen met hoofdredacteur Marit Scheepmaker heeft Constant Hijzen namens de onderzoeksgroep Intelligence & Security van het Institute of Security and Global Affairs van de Universiteit Leiden daarom een speciaal nummer van Justitiële Verkenningen samengesteld.

Artikelen belichten de inlichtingenpraktijk
Het doel was om verschillende facetten van de inlichtingenpraktijk, die allen raken aan de thematiek van de nieuwe wetgeving, aan het licht te brengen. Daartoe hebben we een inleiding en negen wetenschappelijke artikelen gepubliceerd.

Metaforen
Vanuit een breder perspectief begon Constant Hijzen met een stuk over de manier waarop in heden en verleden over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten werd gediscussieerd. Hij neemt de metafoor als uitgangspunt en laat zien dat het onzichtbare en ongrijpbare werk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten altijd in termen van iets anders wordt besproken door burgers, journalisten, Kamerleden en politici – namelijk in termen van iets wat ze wel kennen. Metaforen lenen zich daar goed voor, vooral omdat die het gesprek in een bepaalde richting sturen. Wie de sleepnetmetafoor gebruikt, schildert de inlichtingenverzameling af als een grootschalige – té grootschalig – praktijk waarbij de hele oceaanbodem wordt leeggevist. Diensten hebben ‘bijvangst’ op hun server staan, waar ze uit de aard van hun werk helemaal niet in hoeven neuzen. In de sleepnetmetafoor ligt met andere woorden de vooronderstelling besloten dat zo’n bevoegdheid disproportioneel is. Het doel heiligt niet de middelen, menen de gebruikers ervan. In het verleden blijken andere metaforen een rol te hebben gespeeld, zoals die van de ‘Gigant in het geniep’, bedoeld om te laten zien dat een geheime dienst almachtig en oncontroleerbaar kan worden; een ‘staat in de staat’ zelfs. Anderen wilden juist betogen dat het inlichtingenwerk in Nederland weinig voorstelde en spraken daarom van een ‘veiligheidsdienst op klompen’.

Parlemantaire invloed
Eleni Braat schreef een artikel over de manier waarop het parlement omging met de veiligheidsdiensten. Zij onderscheidt verschillende houdingen die achter de debatten schuilgingen. Sommige Kamerleden (en partijen) waren steeds uitgesproken kritisch, anderen aanvaardden het bestaan van de geheime diensten klakkeloos.

Leiderschap
In het publieke domein nemen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dus een ingewikkelde positie in. Paul Abels laat zien op welke manier leiderschap van de hoofden, directeuren of directeuren-generaal van de geheime diensten van invloed kan zijn. Een diensthoofd dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst een herkenbaar gezicht geeft, met duidelijke opvattingen over de koers, kan in die verhouding tot de buitenwereld de veiligheidsdienst een stevige positie verzorgen. Gebrek aan leiderschap maakt het navigeren in de openbaarheid direct ingewikkeld.

Inhoud van de wet
In drie volgende bijdragen is de nieuwe wet zelf tot onderwerp gekozen. Rob Dielemans, werkzaam bij werkzaam bij de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, schreef op eigen titel een stuk waarin hij de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van 2002 vergeleek met die van 2017. Mireille Hagens, senior-onderzoeker bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en gastonderzoeker bij de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht, lichtte daar één specifiek punt uit: de manier waarop het toezicht op de diensten is geregeld. Hoogleraar Informatierecht Nico van Eijk en Quirine Eijkman, ondervoorzitter van het College voor de Rechten van de Mens schreven ten slotte een stuk waarin zij de belangrijkste bezwaren tegen de huidige wet op een rij zetten.

In de praktijk
In de laatste twee artikelen hebben we geprobeerd inzicht te verschaffen in de werkpraktijk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Giliam de Valk en Willemijn Aerdts, beiden verbonden aan onze onderzoeksgroep, kruipen in de huid van de inlichtingenanalist. Zij laten zien wat de logica achter het inlichtingenwerk is – en hoezeer dit verschilt van de wijze waarop in opsporing en vervolging wordt gewerkt. Peter Koop, gastonderzoeker aan onze onderzoeksgroep en bekend van het weblog Electrospaces verdiept zich in de prangende vraag wat die nieuwe bevoegdheid – toegang tot de kabel – nu precies inhoudt. Op basis van de Snowden-onthullingen laat hij nauwgezet zien om wat voor soort praktijken het nu precies gaat.

Controlerende rol parlement
In een concluderend artikel laten hoogleraar Intelligence & Security Studies Bob de Graaff en Constant Hijzen vervolgens hun licht schijnen over de artikelen in het licht van de verhouding geheime diensten-democratische rechtsstaat. Zij vragen onder meer aandacht voor de rol van de overheid zelf en de controletaken van het parlement.

Stof tot nadenken en napraten
Met deze academische bijdragen hopen we een bijdrage te hebben geleverd aan de discussie. Ze nemen je mee voorbij de krantenkoppen, en richten onze blikken op de politieke en maatschappelijke context, de wet zelf en de werkpraktijk van de diensten. En we nodigen u ook vooral uit om aanwezig te zijn bij de presentatie van dit speciale nummer. Deze vindt plaats op 20 maart om 16:00 uur in Den Haag.

 

De mening van studenten over inlichtingen- en veiligheidsdiensten, deel 2

Tim Dekkers

In het vorige blog zijn we ingegaan op een kleine enquête die is afgenomen onder studenten Crisis and Security Management die het vak World of Intelligence volgen. In dit blog zullen we de resultaten hiervan verder bespreken. Hierbij zullen de stellingen waarover studenten hun mening hebben gegeven centraal staan.

De eerste stelling is “ik vind privacy belangrijker dan veiligheid.” Dit is een klassiek dilemma dat ook in het debat rondom de nieuwe WIV veelvuldig naar voren komt. Onderstaande grafiek geeft aan dat hoewel studenten grotendeels hun veiligheid vooropstellen ze gedurende de collegereeks van World of Intelligence iets meer naar de kant van privacy zijn gaan leunen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat tijdens de collegereeks de methoden en bevoegdheden van inlichtingendiensten vanuit verschillende optieken aan bod is gekomen en studenten hierdoor een ander perspectief hebben gekregen op de spanning tussen veiligheid en privacy (zie ook de blog van Liesbeth van der Heide).

De tweede stelling is “inlichtingendiensten maken mijn land veiliger.” Als eerste moet opgemerkt worden dat op beide meetmomenten studenten positief staan ten opzichte van deze stelling, gezien geen enkele student het oneens is met de stelling en slechts een klein aantal neutraal ten opzichte van de stelling is. Wel blijkt dat studenten in de tweede enquête iets gematigder zijn in hun overtuiging. Mogelijk heeft de complexiteit rondom inlichtingenwerk zoals dat tijdens het vak besproken is hieraan bijgedragen.

De derde stelling die aan studenten is voor gelegd is “inlichtingendiensten hebben meer bevoegdheden nodig om de maatschappij te beschermen.” Op beide momenten zien we een aardige verdeling onder de studenten. Wel kunnen we waarnemen dat gedurende het vak studenten iets meer neigen naar een neutraal of negatief antwoord op de stelling. In het vak zijn de mogelijkheden van inlichtingendiensten veelvuldig aan bod gekomen, waardoor studenten mogelijk van mening zijn dat de huidige kaders voldoende ruimte bieden aan de diensten.

Als vierde hebben we studenten gevraagd te reageren op de stelling “ik vertrouw erop dat inlichtingendiensten hun bevoegdheden zorgvuldig en verantwoord toepassen.” Hierin zien we dat de mening van de studenten over het algemeen positief is: veruit de meeste studenten geven aan het eens te zijn met de stelling. Wel zien we dat gedurende het college het vertrouwen in de diensten iets toeneemt. Tijdens de collegereeks hebben ook veel mensen uit de praktijk van inlichtingenwerk een gastcollege gegeven over waar zij dagelijks mee bezig zijn. Mogelijk heeft deze kijk op de praktijk aan de toename in vertrouwen door studenten bijgedragen.

De vijfde stelling die aan studenten is voorgelegd is “er is voldoende toezicht en controle op de inlichtingendiensten.” Hierin zien we het grootste verschillen tussen de twee meetmomenten van alle stellingen. Waar studenten in eerste instantie voornamelijk neutraal antwoordden, zijn ze na het vijfde college het grotendeels eens met deze stelling. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat het vijfde college ging over toezicht over de diensten en hebben studenten onder andere een gastcollege gekregen van Mireille Hagens, onderzoeker bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten. Het is daarmee mogelijk dat de verse informatie over het toezicht de antwoorden van hebben beïnvloed studenten.

Als laatste hebben we nog aan studenten gevraagd of er punten waren waarover zij van mening waren veranderd. Uit deze opmerkingen blijkt dat studenten met over het toezicht en controle van mening andere inzichten hebben gekregen. Het commentaar richt zich met name op hoe belangrijk toezicht is, met name wanneer de diensten steeds meer bevoegdheden krijgen. Echter zijn ook deze nieuwe inzichten mogelijk geen toeval gezien het net gevolgde college over toezicht. Desondanks is het bovenstaande aan aanwijzing dat in de communicatie rondom de nieuwe WIV het toezicht in het bijzonder nog meer aandacht dient te krijgen.

Lees ook deel 1 van Tim Dekkers’ blog

Onderbelichte onderwerpen in het huidige WIV-debat

In het Reformatorisch Dagblad van 27 februari 2018 schreven de hoogleraren Paul Ducheine en Bas Rietjens (Nederlandse Defensie Academie) een opinieartikel waarin zij vijf thema’s belichten die ontbreken in het debat over de nieuwe Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) of die verdraaid worden weergegeven.

We plaatsen een link naar dit stuk graag ook op onze eigen blog, omdat het een mooi inzicht geeft in de reikwijdte van de wet. In het debat komt vaak maar een van de nieuwe bevoegdheden aan bod, terwijl er veel meer zaken in deze wet worden geregeld. De militaire component blijft in het huidige debat sterk onderbelicht. Juist ook als het gaat om de ‘onderzoeksopdrachtgerelateerde interceptie’ – is het militaire perspectief van groot belang. Zoals Constant Hijzen hier al aangaf, zal de MIVD, en misschien wel vooral de MIVD, zal die bevoegdheid inzetten in het buitenlandse inlichtingenwerk. Onder andere daarom voegt het artikel van Ducheine & Rietjens veel toe aan de huidige discussie naar aanloop van het referendum over de WIV op 21 maart.

Het volledige artikel is ook hier te lezen.

Reformatorisch Dagblad: WIV-debat geeft valse voorstelling van zaken

Omdat er alleen wordt gefocust op de inperking van vrijheden, zonder oog voor de báten van veiligheid, is het WIV-debat misleidend, betogen Paul Ducheine en Bas Rietjens.

Verblinding door wantrouwen of onwetendheid? Of oprechte bezorgdheid over onderdelen van de wet? Het debat over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (WIV) staat bol van een valse voorstelling van zaken, gebaseerd op onkunde of demagogie.

Het debat (en het bijbehorende referendum) doet geen recht aan de veiligheidsbehoefte van Nederland, van burgers en bedrijven. En evenmin aan de opbrengsten en kosten van veiligheid. Laat staan aan de noodzaak van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) in onze democratische samenleving. We noemen vijf ontbrekende of ‘verdraaide’ thema’s.

Amoreel
Allereerst gaat het debat voorbij aan het feit dat het verschaffen van veiligheid een fundamentele overheidstaak is. Veiligheid waardoor burgers zich kunnen ontwikkelen, bedrijven kunnen produceren en de overheid haar andere taken, zoals zorg en onderwijs, kan uitvoeren. Veiligheid als randvoorwaarde voor samenleven, voor economie en voor soevereiniteit. Voor het kunnen genieten van rechten en vrijheden.

In de tweede plaats: voor zover veiligheid een rol speelt, is dat helaas in de misleidende discussie over ”veiligheid versus privacy”. Dit is echter maar één aspect van de ware spanning in (het wetgevingsproces van) de WIV. De echte vraag is namelijk hoeveel veiligheid burgers en bedrijven van de staat verlangen, welke kosten (in de vorm van belastingen en overdracht van rechten) dit vergt en wat ze daarvoor (in de vorm van welzijn en welvaart) terugkrijgen.

De wetgever heeft deze integrale keuze vorig jaar al gemaakt, maar in het referendum speelt slechts de privacydiscussie een rol. Alsof niemand zich realiseert dat veiligheid opeisen zonder daarvoor de nodige middelen (begroting en bevoegdheden) te verschaffen amoreel is en aan hypocrisie grenst! Wel de lusten maar niet de lasten…

Toezicht
Ten derde blijkt er nauwelijks inzicht te bestaan in de begrenzing van het handelen van de eerdergenoemde diensten. Want hoe ingrijpender de (bijzondere) bevoegdheden van de diensten zijn, hoe ‘strakker’ de begrenzing, het toezicht en de verantwoording moeten worden geregeld. Dat bijvoorbeeld die expliciete begrenzing van de bevoegdheden wel degelijk in de nieuwe WIV wordt geregeld, is een van missers in het debat.

Zo heeft de wetgever de taken van de diensten concreet en compleet opgesomd en mogen de bevoegdheden alleen voor de in de WIV genoemde taken worden aangewend. Telecommunicatie mag dus zeker niet lukraak en ongebreideld worden onderschept, zoals sommige tegenstanders van de WIV ons willen doen geloven.

Om dit te borgen, wordt intern en extern toezicht gehouden. Intern door leidinggevenden (die hebben een eed of belofte afgelegd) en een stafafdeling, zoals juridische zaken binnen de diensten en op de ministeries. Extern gebeurt dit door een onafhankelijke toetsingscommissie, die vooraf de inzet van een aantal zware bevoegdheden toetst en kan blokkeren. De onafhankelijke Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) controleert het gehele proces, rapporteert aan de Tweede Kamer en behandelt eventuele klachten.

Ingewikkeld
Hoewel de neutrale Referendumcommissie waardevol werk verricht, is in de vierde plaats de uitleg van de WIV nog steeds een lijvige voorlichtingsbrochure van 33 pagina’s. Bovendien is de WIV zelf een typisch product van wetgevingsjuristen en dus ingewikkeld. Met de even onvermijdelijke als weinig begrepen trits van ”noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit”.

Deze trits begrenst eveneens. De inzet van bevoegdheden moet noodzakelijk zijn voor (en binnen de grenzen van) de taakstelling. Ofwel, de gezochte inlichtingen zijn bijvoorbeeld nog niet uit open bronnen of eerder onderzoek beschikbaar.

Bovendien moet eerst de minst zware bevoegdheid worden overwogen. Bijvoorbeeld de telecommunicatie van één persoon die mogelijk een aanslag tegen Nederlandse troepen voorbereidt, gericht onderscheppen in plaats van het scannen van de metadata bij een telecomprovider. Ook dán moet die bevoegdheid proportioneel zijn voor het doel van de inzet. Bijvoorbeeld: de impact op de privacy van de desbetreffende persoon weegt op tegen het belang dat beschermd wordt.

Missiegebieden
Ten vijfde: wat weinigen zich realiseren, is dat met name de MIVD moet bijdragen aan de effectiviteit van militaire missies en de veiligheid van ingezette militairen. Daarvoor zijn tijdige inlichtingen over missiegebieden en strijdgroepen nodig. Zodat die missies een kans van slagen hebben en militairen zo veilig mogelijk hun werk kunnen doen. De meeste missiegebieden (potentiële of actuele) zijn immers geen omgeving waar die cruciale informatie open en bloot te vergaren valt.

De inzet van bijzondere bevoegdheden moet dit manco repareren. Bijvoorbeeld door communicatie naar of over een missiegebied te onderscheppen.

Nuance
Met het platslaan en simplificeren van het debat verdwijnt helaas ook de nuance. Die nuance is zo essentieel bij dit complexe veiligheidsvraagstuk. Een vraagstuk waarin de driehoeksrelatie tussen veiligheid, opbrengst en kosten centraal staat. Veiligheid eisen of daarvan profiteren, maar de ‘gereedschappen’ zoals bevoegdheden niet verstrekken is hypocriet. Veiligheid kan onmogelijk gevraagd (en geboden) worden zonder inperking van vrijheden, waaronder privacy. Daarbij moeten óók de baten, het welzijn en de welvaart meegerekend worden. Doen we dit niet, dan is de voorstelling van zaken even bizar als vals.

Brigadegeneraal prof. mr. Paul Ducheine is hoogleraar cyber operations. Prof. dr. ir. Bas Rietjens is hoogleraar inlichtingen en veiligheid. Beiden zijn verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie.

Vermaatschappelijking AIVD dringend noodzakelijk

Paul H.A.M. Abels

We leven niet meer in de tijden van de Koude Oorlog. Toen ik in 1984 begon als analist bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) was inlichtingenwerk nog vooral een ragfijn spel van spionnen ontmaskeren, hen persona non grata verklaren en daarna weer gaan speuren naar diens opvolger, teneinde ook deze weer te betrappen op activiteiten die in strijd waren met zijn (vaak diplomatieke) status. De toenmalige BVD deed zijn werk in stilte. Weinig Nederlanders wisten van het bestaan van deze dienst en weinigen hadden er een mening over. Hoe anders is het tegenwoordig. Door nieuwe dreigingen als terrorisme, extremisme, inmenging, cyberaanvallen en heimelijke politieke inmenging door vreemde mogendheden raakt het inlichtingenwerk vele onderdelen van het maatschappelijk leven. En iedereen heeft er een mening over.

Toezicht op geheime diensten
Inmiddels is de tijd ook voorbij dat diensten in het diepste geheim en buiten elk zicht van politiek en samenleving hun werk kunnen doen. In een moderne, transparante democratie moeten zelfs inlichtingen- en veiligheidsdiensten rekening en verantwoording afleggen over hun doen en laten. Hun bevoegdheden zijn nauwkeurig omschreven en de inzet ervan aan strikte criteria gebonden. De oude wet die het werk van de diensten reguleerde, uit 2002, regelde al sterk en onafhankelijk toezicht achteraf door een Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD). In de nieuwe wet, waarover op 21 maart een referendum wordt gehouden, is dit onafhankelijke toezicht verder versterkt, door ook een onafhankelijk oordeel vooraf te organiseren met een nieuwe Toezichtscommissie Inzet bevoegdheden (TIB). Ook zijn er bijzondere bepalingen geformuleerd over bijvoorbeeld het onderzoeken van journalisten en advocaten en is er een klachtencommissie toegevoegd aan de CTIVD. Burgers kunnen zich wenden tot die commissie als zij denken door de diensten benadeeld te zijn en het oordeel van deze commissie is bindend.

Meer transparantie
Met de WIV 2017 is formeel zeer veel van het werk van de diensten geregeld en gereguleerd, maar impliciet bevat de nieuwe wet ook een opdracht aan de diensten om meer dan in het verleden transparant te zijn over hun keuzes, werkwijzen en resultaten. Tegelijk mogen de diensten natuurlijk geen geheimen prijs te geven waarvan het bekend worden schadelijk is voor het inlichtingenwerk, de bronnen of de nationale veiligheid. Dat diensten een natuurlijke neiging tot ‘oesteren’ hebben is daarom begrijpelijk, maar deze oesterkramp zal daadwerkelijk doorbroken moeten worden. Het huidige debat in het kader van het WIV-referendum maakt dit meer dan duidelijk. Burgers willen begrijpen waarom wij geheime diensten nodig hebben, hoe ze in grote lijnen tewerk gaan en hoe ze worden gecontroleerd en afgerekend. Zij verwachten dat de diensten en hun politiek-ambtelijke leiding hierover helder communiceren.

Vertrouwen van de burger
Voor de diensten zelf zijn vertrouwen en maatschappelijk draagvlak ook van groot belang. Er moet niet alleen politiek draagvlak in de Kamer zijn voor hun werk. Zij hebben ook de steun nodig van burgers en bedrijven. Als geen ander zijn de diensten immers afhankelijk van hun medewerking bij het vergaren van informatie. Zij zullen altijd mensen nodig hebben die bereid zijn als informant op te treden of zelfs als agent in een riskante omgeving, ook hebben ze hulp van bewoners of bedrijven nodig als zij afluisterapparatuur willen plaatsen bij een target of digitale communicatie willen onderscheppen. Zelfs voor het inwinnen van informatie in het kader van veiligheidsonderzoeken voor bijzondere vertrouwensfuncties moet er aangebeld kunnen worden bij buren, vrienden of collega’s van betrokkene.

Geheime dienst en maatschappij
Om dit vertrouwen van de burgers te winnen en te behouden zullen de diensten meer dan voorheen moeten communiceren. Nu gebeurt dat vooral door het diensthoofd, maar er zijn tal van andere manieren waarop informatie en inzicht geboden wordt over de dreigingen waarmee ons land te maken heeft en wat er tegen gedaan kan worden. Te denken valt aan het jaarverslag, open rapportages, achtergrondgesprekken met journalisten, maar ook presentaties en colleges voor bedrijven, studenten en andere geïnteresseerden. Het referendumdebat is in dat opzicht een goede aanzet voor een verdere vermaatschappelijking van de dienst, die dringend noodzakelijk is in een moderne democratische samenleving. Noodzakelijk voor de burgers, voor de diensten én de nationale veiligheid.

De mening van studenten over inlichtingen- en veiligheidsdiensten, deel 1

Tim Dekkers

In de Master Crisis & Security Management van de Universiteit Leiden kunnen studenten in hun keuzeruimte onder andere kiezen voor het vak World of Intelligence. Dit vak is er op gericht studenten een inleiding te geven op wat inlichtingen precies zijn en wat inlichtingen- en veiligheidsdiensten doen. Tijdens het eerste college vragen we studenten waarom ze voor dit vak hebben gekozen om zo de verwachtingen voor het vak eventueel bij te kunnen sturen. Twee opmerkingen werden structureel genoemd: 1) dat inlichtingendiensten als mysterieus werden gezien en men er meer over wilde leren en 2) dit gezien de huidige discussie in Nederland over inlichtingendiensten het een belangrijk onderwerp is. Deze twee factoren bij elkaar leveren met het oog op het huidige debat rondom de WIV een interessante situatie op. Er is een maatschappelijk debat over de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland, maar blijkbaar is er ook onduidelijkheid over wat deze diensten precies doen. Het leek mij daarom interessant om een klein onderzoek te doen onder de studenten om te kijken wat hun mening over vraagstukken gerelateerd aan inlichtingen- en veiligheidsdiensten aan het begin van het vak was en of dat nadat ze meer hadden geleerd over het onderwerp van mening zouden veranderen.

Inzicht krijgen
Tijdens het eerste en vijfde college van World of Intelligence is daarom een korte enquête uitgedeeld onder de studenten die enig inzicht biedt in de meningen van studenten. Goed om hierbij te zeggen is dat dit niet gezien moet worden als gedegen wetenschappelijk onderzoek met gevalideerde vragenlijsten, representatieve steekproeven en generaliseerbare conclusies. Het is louter bedoeld om op informele wijze inzicht te krijgen in of meer informatie over inlichtingen- en veiligheidsdiensten ervoor zorgt dat mensen anders over het gerelateerde onderwerpen gaan denken. Daarbij is het van belang dat we in het vak World of Intelligence een gebalanceerd perspectief willen geven op verschillende kwesties, waarbij we door middel van literatuur over intelligence studies en gastsprekers uit de praktijk de dilemma’s van verschillende kanten belichten.

De respondenten
Een korte uitleg over de enquête is misschien nodig om de resultaten beter te kunnen plaatsen. De enquête bestaat uit vijf stellingen waar studenten op een vijfpuntschaal aan konden geven in hoeverre ze het er meer eens waren. Daarbij hebben we een open tekst vak onder de stellingen geplaatst. In het eerste college hebben we studenten gevraagd hier alles op te schrijven over wat zij belangrijk vonden om te zeggen in het kader van inlichtingen- en veiligheidsdiensten en het WIV debat. Tijdens het vijfde college hebben we studenten expliciet gevraagd deze ruimte te gebruiken om aan te geven of ze over een bepaald onderwerp anders zijn gaan denken naar aanleiding van het vak. De stellingen zijn in het eerste en vijfde college hetzelfde gebleven. Bij het eerste college hebben 22 studenten de enquête ingevuld, tijdens het vijfde 18. Omdat Crisis & Security Management een internationale master is, zitten er in de groep studente ook niet-Nederlandse studenten. Bij het eerste college hebben drie buitenlandse studenten de enquête ingevuld, bij het vijfde twee. Omdat we van hen niet kunnen verwachten dat ze bekend zijn met het huidige debat over de WIV, hebben we hen gevraagd de enquête in te vullen met de diensten in hun moederland in gedachte.

De reacties
Om te voorkomen dat dit blog buiten de perken van het blog format gaat, zullen we voor nu alleen kijken naar de opmerkingen die studenten tijdens het eerste college hebben gemaakt in het open tekst vak. In het volgende blog zullen de antwoorden op de stellingen met elkaar vergelijken en kijken waar studenten anders over zijn gaan denken.

Studenten halen een flink aantal onderwerpen aan die zij belangrijk vinden in het kader van het WIV debat. Het meest (vijf keer) worden opmerkingen gemaakt die te maken hebben met vertrouwen en controle. Deze studenten vinden het belangrijk dat er vertrouwen bestaat in de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en hierbij speelt toezicht op de diensten een belangrijke rol. Wanneer er voldoende toezicht is op de activiteiten van de diensten zouden burgers er op moeten kunnen vertrouwen dat zij hun werk goed uitvoeren en geen misbruik wordt gemaakt van bevoegdheden. Een tweede thema, genoemd door drie studenten, is het referendum. Deze studenten zijn van mening dat het referendum geen goed idee is omdat de gemiddelde mens niet genoeg zou weten over de werkzaamheden van de diensten. Een referendum zou alleen nuttig zijn wanneer mensen stemmen over iets waar ze voldoende kennis over hebben. Twee studenten maken de opmerking dat mensen over het algemeen al veel informatie delen met andere partijen, zoals sociale media of bedrijven, en de privacy discussie daarom vreemd is. Een student geeft aan te twijfelen of de diensten de data die zij met de nieuwe bevoegdheden kunnen verzamelen wel allemaal kunnen analyseren. Het zou zoeken worden naar een naald in een hooiberg. Interessant is ook dat een student aangeeft dat Nederland al heel veilig is en daarom twijfelt of de nieuwe bevoegdheden wel nodig zijn.

Onderwerpen bespreekbaar maken
Bovenstaande geeft een eerste inzicht in hoe het huidige debat rondom de inlichtingen- en veiligheidsdiensten leeft onder de studenten. Aangezien deze studenten nog met een verse blik deze enquêtes in hebben gevuld, kan dit een indicatie zijn voor welke vraagstukken er leven onder de gehele Nederlandse bevolking. Het zou daarom goed zijn om deze punten verder te bespreken in de aankomende debatten die op meerdere plekken zullen plaatsvinden en meer informatie over deze onderwerpen naar buiten te brengen. Enkele van de door studenten aangedragen punten zullen we nog verder behandelen in deel 2 van deze blog post, omdat deze aansluiten bij de stellingen waarover zij hun mening hebben gegeven.

WIV 2017: taken, bevoegdheden en waarborgen in balans

Introductie door Constant Hijzen
Schout-bij-nacht b.d. Pieter Bindt, directeur van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) tussen 2011 en 2016, mengt zich sinds enige tijd ook in het debat over de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten. Hij meent dat er enkele hardnekkige misverstanden in de discussie zijn geslopen. Met het onderstaande stuk gaat hij aan de hand van een aantal vragen in op die misverstanden. Als voormalig directeur-MIVD kan hij als één van de weinigen in het publieke debat vanuit zijn eigen ervaring reflecteren op wat die wet wel en niet beoogt. Dat maakt hem wel één van de spelers in het debat; Bindt brengt in zijn artikel dan ook een positief stemadvies uit.

Het stuk is echter meer dan een pamflet. De militaire component van het debat blijft sowieso sterk onderbelicht. Juist ook in de hele bevoegdheidsdiscussie – mogen de diensten nu wel of niet de bevoegdheid tot ‘onderzoeksopdrachtgerelateerde interceptie’ – is dat militaire perspectief van groot belang. Ook de MIVD, en misschien wel vooral de MIVD, zal die bevoegdheid inzetten in het buitenlandse inlichtingenwerk.

Mede daarom plaatsen we het stuk graag. Ook als u het niet met zijn stemadvies eens bent, is het betoog van Pieter Bindt informatief en een interessante bijdrage aan het debat.

Inleiding
Pieter Bindt
21 maart mogen we het kabinet adviseren over de nieuwe Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (WIV 2017). Voor kiesadvies kunnen we terecht bij diverse media. Mij valt op dat sommige kiesadviseurs meer twijfels en aannames hebben dan ik. Van 2011 tot 2016 was ik Directeur van de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst. Daarom kan ik onderstaand enkele hardnekkige twijfels en aannames anders belichten.

Wat is nut en noodzaak van de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten?
Nederland is een prachtig land. Dat wil iedereen zo houden. Bijna iedereen. Er zijn ook landen en groepen die daar anders over denken. Die tegenstanders houden hun intenties, wat ze kunnen en wat ze doen over het algemeen geheim. De ware intenties, capaciteiten en activiteiten haal je dus niet uit open media. Om dreigingen tijdig te zien, te begrijpen wat er om ons heen gebeurt en op gedegen onderzoek mogelijke toekomstscenario’s te presenteren, zijn inlichtingendiensten met in de wet verankerde bijzondere bevoegdheden, de waarborgen daarop en goede onafhankelijke controle nodig. Een F16 piloot tot en met de Premier, hebben tijdige en goede inlichtingen nodig om onderbouwde besluiten te nemen. Dat past binnen de hoofdtaak van de overheid: de maatschappij beschermen door balans te vinden tussen rechten & vrijheden, welzijn & welvaart en veiligheid.

Het buitenland heeft directe, grote invloed op Nederland. Veel werk van de diensten richt zich daarom op het buitenland. Het gaat dan bijvoorbeeld om de veiligheidssituatie in de wereld, militaire missies, verspreiding van massavernietigingswapens en terrorisme. In de WIV wordt voor de bijzondere bevoegdheden (o.a. observeren en volgen, hacken, runnen van agenten, interceptie) en waarborgen geen onderscheid gemaakt tussen binnen- en buitenland. Daar zijn drie redenen voor. Ten eerste hebben dreigingen uit het buitenland grote invloed op het binnenland. Ten tweede wordt het van belang geacht dat voor Nederlanders en buitenlanders dezelfde waarborgen gelden. En ten derde hebben we in Nederland twee diensten die beiden zowel inlichtingen als veiligheidstaken hebben en beiden werken in het buitenland en het binnenland. Onderscheid in de wet tussen binnen- en buitenland maakt het systeem ondoorzichtig en nog complexer.

Dat de diensten nut hebben, blijkt onder andere uit de vele levens die tijdens militaire missies met inlichtingenwerk zijn gespaard, de hoge waardering van de mensen die de producten van de diensten krijgen en de kamerbrede steun voor het werk en de medewerkers van de diensten.

Waarom geheimen?
Inlichtingendiensten houden geheim wat zij kunnen, hoe zij werken en wat ze weten. Als je tegenstanders die zaken vertelt, passen die hun handelen daarop aan en gaat het (potentiële) zicht daarop verloren. Daarom is geheimhouding van actueel kennis niveau, werkwijzen en bronnen ook een verplichting die in de wet staat. Dat is zinnig geheim ipv geheimzinnig.

Wat is de noodzaak tot een nieuwe WIV?
De wet uit 2002 is voorbereid in de vorige eeuw. Sinds die tijd is er veel veranderd op het gebied van dreiging en techniek. Een onafhankelijke commissie (Dessens 2013) heeft de werking van de WIV onderzocht en geconcludeerd dat er nieuwe bevoegdheden met bijpassende waarborgen in de wet benodigd zijn om de diensten effectief te laten opereren, in het bijzonder in het digitale domein. De kern van die conclusie wordt gedeeld door de Commissie Toezicht betreffende de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (CTIVD), de Raad van State, de Tweede en Eerste Kamer. Veel van de door die instituten voorgestelde aanscherpingen zijn in de definitieve versie van de wet en toezeggingen overgenomen.

Hoe komen de opdrachten aan de diensten tot stand?
De opdrachten van de diensten staan in de “Geïntegreerde Aanwijzing (GA)”, ondertekend door de premier, en de ministers van Defensie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijkszaken na overleg met de ministers van Buitenlandse Zaken en Justitie&Veiligheid. De uiteindelijke aanwijzing volgt uit jaarlijkse gesprekrondes waarin de capaciteiten van de diensten zo optimaal mogelijk worden verdeeld over de vragen. De aanwijzing is geheim maar er is wel parlementaire controle op in de Commissie voor Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (CIVD) zoals ook te lezen in hun openbaar jaarverslag. Indien nodig wordt de GA tussentijds aangepast.

Critici stellen dat de GA niet gericht kan zijn omdat die maar eens in de vier jaar zou worden opgesteld. Dat is dus niet correct.

Daarnaast stellen critici dat de diensten door de GA te veel aan de leiband van de politiek zouden lopen. Maar diensten die zelf bepalen wat ze doen, is geen goed idee in een democratische rechtstaat. Dan zouden ze een staat binnen de staat zijn. Behoeftestellingen bestonden al, maar dan versnipperd. De GA brengt alle vragen bijeen om beter prioriteiten te kunnen stellen waar er schaarste is. Met de GA wordt ook de ministeriële verantwoordelijkheid ingevuld. Daarnaast kan ik uit ervaring delen dat de diensten een actieve, kritische rol spelen bij het opstellen van de GA, en zeker niet slaafs volgzaam zijn. Dat maakt deel uit van de plicht van Inlichtingendiensten: “telling truth to power”, zoals verwoord in het motto van de AIVD “tegen de stroom in” en bij de MIVD vertaald als “de waarde zit in het onderkennen van de waarheid”.

Verder vrezen critici dat een nieuw kabinet de diensten tegen politieke tegenstanders zou kunnen inzetten. Die vrees deel ik niet. Ik heb wél vertrouwen in de kracht van de Nederlandse open politieke (coalitie) cultuur, ons stelsel van onafhankelijke instituties (toezicht, rechtelijke macht, media) en de professionaliteit en diversiteit van de medewerkers van de diensten.

Waarom is de “Onderzoeks Opdracht Gerichte interceptie (OOG)” noodzakelijk?
In de WIV uit 2002 staat dat de diensten eerst breed signalen uit de ether (satelliet verkeer en radiogolven) mogen opvangen om daarna gekende en ongekende dreigingen daaruit te selecteren. De beperking tot de ether was ingegeven door het idee dat lange afstand verkeer door de lucht ging en korte afstand, binnen Nederland, door een (koper) kabel. De inzet van die bevoegdheid gebeurt dan ook voor onderzoeken gericht op het buitenland. In militaire inzetgebieden heeft dit vele levens gespaard.

Het onderscheid tussen ether en kabel is nu zonder waarde. Verkeer dat eerst over satelliet kanalen liep, gaat nu voor 90% door kabels. Nu hebben de diensten daarop te beperkt zicht. Het gebruik van meerdere communicatiemiddelen en kanalen maakt het vinden en volgen van tegenstanders ook steeds moeilijker. Tijdige onderkennen en begrijpen van dreiging loopt daarmee gevaar. Het is daarvoor nodig om eerst breder te kunnen kijken, ook op de kabel, om daarna zo snel als mogelijk gericht te kunnen werken.

De digitale wereld omringt ons geheel en beïnvloed onze vrijheid, veiligheid, welzijn en welvaart. De diensten kijken nu op een zeer beperkt aantal kleine afslagen en opritten van de grote digitale snelweg(en). Daarbij zien ze veel foute signalen. Maar omdat ze nu niet op de snelweg mogen kijken, komen veel foute signalen toch ongezien op bestemming waardoor de maatschappij schade lijdt. Voor onze digitale veiligheid is het dan ook van belang dat de diensten toegang hebben tot de digitale snelweg.

Voor het buitenland en Cyber Security is er geen alternatief voor de OOG.

Hoe werkt OOG?
Aan de hand van de GA worden onderzoeksplannen gemaakt. Daarin staan, onder andere, de deelvragen en de beste methode(s) om die zo gericht mogelijk te beantwoorden. Als daaruit blijkt dat alleen met OOG de vraag kan worden beantwoord, wordt een verzoek ingediend bij de minister. Daarin staat onder andere om welke zaak het gaat, onder welke taak en opdracht die valt, over welke bevoegdheid de inzet gaat, waar de beoogde informatie waarschijnlijk gevonden kan worden, wat daarvan verwacht wordt, hoe data minimalisatie plaatsvindt, waarom inzet noodzakelijk is, waarom inzet proportioneel is (weegt de privacy-inbreuk op tegen de dreiging) en subsidiair is (is er niet een lichter middel om de vraag te beantwoorden). Bij een verzoek om verlenging van de inzet moet daaraan worden toegevoegd wat in de voorgaande periode is verkregen en wat dat heeft opgeleverd.

Verleent de minister toestemming, dan wordt dit verzoek vervolgens getoetst door de onafhankelijke Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB), voordat de bevoegdheid kan worden toegepast. Als de TIB “nee” zegt, wordt de bevoegdheid niet ingezet.

De OOG interceptie volgt drie stappen: verzamelen, verkennen van de communicatie, en het doorgeven van specifieke selecties aan specifieke analyse teams. Voor elke stap is de toestemming van de minister en toetsing door de TIB vereist. De werkzaamheden gebeuren door een kleine, specifiek geautoriseerde groep medewerkers. Alleen zij hebben zicht op eventuele bijvangst. Deze ambtenaren werken niet in de teams die voor het maken van analyses met geselecteerde informatie aan de gang gaan. Geselecteerde informatie is pas na stap drie toegankelijk voor ander geautoriseerd personeel die de informatie gebruiken voor analyse producten. Handelingen en instellingen van automatische systemen worden gelogd om controle door de CTIVD mogelijk te maken. Gedurende alle stappen moet voortdurend, zo veel mogelijk worden weggegooid, als privacy maatregel maar ook om snel te kunnen werken.

Informatie die nog niet geëvalueerd is, mag drie jaar worden bewaard. Dat lijkt lang, maar is een compromis. Voor het ondersteunen van militaire missies zou een periode voorafgaand een missie plus een periode daarna zeer wenselijk zijn geweest. In de wet staat wel de verplichting om verzamelde data zo snel mogelijk te controleren op relevantie. Voor het onderzoek niet relevante data moet direct vernietigd worden. De CTIVD controleert hierop.

Worden met OOG straks hele wijken afgeluisterd?
Nee, dat zal namelijk niet noodzakelijk, niet proportioneel en niet subsidiair zijn. In NL hebben we veel kennis van de eigen maatschappij, hier geldt onze rechtstaat, er is een fijnmazig systeem van maatschappelijke organisaties, diverse open media, buren, familie en politie om binnenlandse dreigingen allereerst te voorkomen en, als ze toch ontstaan, vroegtijdig en gericht te onderkennen. Er is voor de diensten dus altijd een lichter middel om zo gericht als mogelijk te werken. In het buitenland wordt dat al snel onmogelijk. Ik zie daarom de onderzoeksopdracht gerichte interceptie binnen NL niet ingezet worden, anders dan voor Cyber dreiging.

Waarom en hoe mag ongeëvalueerde data met buitenlandse diensten gedeeld worden?
Er is geen enkel land dat zonder samenwerkingspartners kan. Om dreigingen tijdig te onderkennen en begrijpen is soms het snel delen van data nodig, zoals bij terrorismebestrijding en militaire missies om die zo veilig en succesvol als mogelijk te maken.
In de inlichtingenwereld geldt wel dat je iets deelt om er iets voor terug te krijgen. Als je niet deelt, krijg je niets. Niet delen komt de nationale veiligheid niet ten goede.

Voordat wordt samengewerkt, onderzoeken de diensten wat de mate van respect voor de mensenrechten, de democratische inbedding en professionaliteit en betrouwbaarheid van een potentiële partner is. Ongeëvalueerde (maar wel geminimaliseerde) metadata uit OOG, die dus reeds met toestemming is verworden, wordt alleen in specifieke gevallen, met een specifiek doel, en indien noodzakelijk, proportioneel en subsidiair, gedeeld met één of meer, beperkt aantal landen dat aan hoge scores op die samenwerkingscriteria voldoet. De minister moet daarvoor toestemming geven en de CTIVD moet direct geïnformeerd worden om directe controle mogelijk te maken.

Critici betogen dat bestanden ook met landen kan worden gedeeld die niet aan die normen voldoen. Turkije wordt daarbij vaak als voorbeeld genoemd. Echter, in maart 2015 is op Kamervragen over het intrekken van een “Verklaring Geen Bezwaar” van een militair door de minister geantwoord dat met dat land geen samenwerking was op het gebied van uitwisselen van gegevens. De relaties lijken sindsdien niet verbeterd.

De CTIVD heeft eerder geoordeeld dat het doel van uitwisseling van meta gegevens opweegt tegen de eventuele inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Dat slaat voor de OOG dan op het buitenland want de OOG zal binnen Nederland, anders dan voor Cyber security, zeer waarschijnlijk niet worden ingezet.

Hoe is de controle op de diensten geregeld?
In de WIV 2017 wordt met de TIB een onafhankelijke, bindende toetsing vooraf ingevoerd voor de meest invasieve bevoegdheden, inclusief de OOG. Het toezicht tijdens uitvoering en achteraf gebeurt door de CTIVD
. Zij kunnen op ieder moment in alle systemen kijken en kunnen betrokkenen horen onder ede. Zij bepalen zelf hun onderzoekagenda en rapporteren in het openbaar (zie www.ctivd.nl). Het parlement kan de CTIVD om specifieke onderzoeken vragen.
In de wet staat dat zij niet oordelen over de besluiten van de TIB. Echter, als zij zien dat de argumentatie bij het verkrijgen van de toestemming niet correct of onvolledig was, zullen zij dit in het openbaar kenbaar maken.

Ministers nemen 99% van de aanbevelingen van de CTIVD over. Ik heb in vijf jaar maar één keer meegemaakt dat dit niet zo was en daar kreeg Minister Hille kamerbrede steun voor. Het ging toen om twee vormen van zoeken in de ether die de MIVD gebruikte (en nog steeds) die niet expliciet in WIV 2002 staan. Die methodieken zijn essentieel voor veilige inzet. Waar het toen om ging, is in de WIV 2017 gerepareerd. De CTIVD controleert of de aanbevelingen in de praktijk ook daadwerkelijk worden opgevolgd.

Critici betogen dat de aanbevelingen van de CTIVD bindend zouden moeten zijn. Daar ben ik het niet mee eens. Een minister zal zich in het openbaar, in het parlement moeten verantwoorden over het niet opvolgen van aanbevelingen. Met als ultieme sanctie het wegsturen van een minister. Voor een onafhankelijke commissie geldt dat niet. De CTIVD zou in onze parlementaire democratie dan de ultieme verantwoordelijkheid dragen voor onze inlichtingen en veiligheid, zonder daarop te kunnen worden aangesproken. De CTIVD vraagt ook niet om het verkrijgen van bindend advies.

Hoe gaat de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) haar werk doen?
In de WIV staat daarover dat de TIB zelf een regelement en een jaarverslag openbaar maakt. Voor deze vrije invulling is bewust gekozen om de onafhankelijkheid van de TIB te benadrukken.

Omdat reglement en jaarverslag openbaar zijn, zal daar in het openbaar een discussie over volgen. Daarnaast zal de werking van de TIB expliciet onderdeel zijn van een onafhankelijke evaluatie van de gehele opzet en werking van de WIV die binnen twee jaar zal starten.

Critici betogen dat de TIB alleen op marginale informatie zou kunnen toetsten. Dat is niet zo. De TIB oordeelt over een door de betrokken minister getekend verzoek, inclusief de onderliggende motivering (als onder OOG beschreven). De diensten zijn verplicht om door de TIB gevraagde aanvullende informatie en medewerking te geven. Nergens staat dat de TIB niet ook andere deskundigen kan raadplegen. Dat zullen ze dus wel doen als ze dat nodig vinden.

Ten slotte, wat te stemmen?
De WIV 2017 biedt nu al een goede balans tussen taken, bevoegdheden en waarborgen om de diensten effectief te laten opereren in een snel veranderende, helaas niet altijd veilige wereld. Onderzoek hoe de nieuwe wet in de praktijk werkt, zal binnen twee jaar starten. De resultaten daarvan zullen bijdragen aan verdere verbetering. Ik raad u aan “ja” te stemmen.

Pieter Bindt
Schout-bij-nacht b.d.
2011-2016 Directeur Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst

Een slepende of vruchtbare discussie?

Paul Abels

Je kunt veel bezwaren aanvoeren tegen het houden van referenda, maar als het aanstaande referendum over de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV, door velen aangeduid met de actiekreet Sleepwet) één positief ding heeft losgemaakt, dan is het wel politiek engagement bij grote groepen, vooral ook jongere, burgers. Dat moet ik ook de actievoerende studenten meegeven. Zij hebben de (nog bestaande) wettelijke mogelijkheid tot het aanvragen van een raadgevend referendum aangegrepen om uiting te geven aan hun zorgen over de reikwijdte en gevolgen van de nieuwe wetgeving op de geheime diensten voor zaken als privacy en internetvrijheid. Met een zondags duwtje van Lubach werden de benodigde handtekeningen verkregen en kan Nederland zich opmaken voor een stembusgang op 21 maart aanstaande, niet alleen voor de gemeenteraadsverkiezingen, maar dus ook voor het referendum.

Veel aandacht
De volksraadpleging die op stapel staat heeft een lawine aan artikelen,
debatten en interviews losgemaakt. Dat alleen al is pure winst. Nog nooit is in Nederland een serieus debat gevoerd over het werk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten, terwijl hun – grotendeels geheime – werk van groot belang is voor onze nationale veiligheid. Wat verwachten wij eigenlijk van de diensten, en hoever mogen zij gaan om Nederland veilig te houden? Uit alle discussies komt een tweeledig beeld naar voren. De verwachtingen zijn torenhoog; er ligt een absolute eis dat hier geen aanslagen zullen plaatsvinden, de samenleving niet duurzaam ontwricht wordt door cyberaanvallen, niemand hoeft te vrezen voor de lange arm van regimes die zij ontvlucht zijn etc. Daar staat tegenover dat de diensten die hiervoor moeten zorgen met groot wantrouwen te maken hebben en een vrees dat zij zonder reden gaan wroeten in de levens van onschuldige burgers. (zie ook artikel in het Reformatorisch Dagblad.

Weinig transparatie
Waar komt dat grote wantrouwen vandaan? Voor een deel hebben geheime diensten dat over zichzelf afgeroepen. De onthullingen van mensen als Snowdon en Assange hebben een beeld doen postvatten dat dergelijke diensten het liefst een surveillance-staat willen bouwen, waarin de overheid volledig zicht en controle heeft op al haar burgers. (zie ook de Oratie Abels) Sommige praktijken in de VS wezen ook in die richting en tegen dat negatieve beeld moeten nu ook diensten elders in de wereld vechten, ook in Nederland. Daarbij helpt het dan ook niet dat de diensten zelf vanuit hun traditionele oesterkramp te weinig open en transparant zijn om deze beeldvorming enigszins bij te stellen in realistische zin.

Begrip kweken
Toch is meer openheid over taken, werkwijzen en bijzondere bevoegdheden de belangrijkste remedie om misverstanden weg te nemen. Volwassen burgers nemen in deze moderne tijd geen genoegen met obligate en sussende antwoorden of vage geheimzinnigdoenerij. Zij moeten eerst en vooral begrijpen waartoe deze diensten op aarde zijn, wat ze nodig hebben om aan die hoge verwachtingen van de maatschappij te voldoen en dat onafhankelijk toezicht daadwerkelijk een belangrijke garantie is voor het tegengaan van machtsmisbruik. Als de politiek vervolgens goed luistert naar de reacties en bezwaren van de burgers en bereidheid toont de huidige wet met enkele reparaties nog toekomstbestendiger te maken, dan is er voldoende maatschappelijk draagvlak voor de WIV. De uitslag van het referendum doet er dan niet eens meer zoveel toe.

Hoogleraar Paul Abels waarschuwt voor risico op politisering veiligheidsdiensten

De vernieuwde Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv) zorgt voor een fundamentele wijziging in de verhouding tussen de veiligheidsdiensten en de politiek. Dat brengt risico’s met zich mee van politisering van inlichtingen, zegt hoogleraar Paul Abels. Oratie op 16 februari.

Niet de politiek moet bepalen waar deze diensten naar kijken, maar de wet. Veranderde wetgeving zorgt er echter voor dat de politiek steeds meer op de stoel van de veiligheidsdienst gaat zitten. Dit betoogt Paul Abels in zijn oratie. Abels werkte zelf ruim twintig jaar bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) en Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). Inmiddels is hij bijzonder hoogleraar Governance of intelligence and security services aan de Universiteit Leiden.

Verhoudingen anders dan voorheen

Vanouds bepaalt de Wiv dat de veiligheidsdiensten naar alle gevaren voor de nationale veiligheid moeten kijken. Bovendien maakten de diensten tot nu toe zelf een inschatting over de ernst van die dreigingen – onder politieke verantwoordelijkheid van hun ministers. In de herziene Wiv, waarover Nederlanders op 21 maart in een raadgevend referendum kunnen stemmen, zijn de verhoudingen van de diensten met politiek en bestuur anders dan voorheen. Zo is een aantal met name genoemde ministeries en ministers aangewezen als behoeftestellers, die met behulp van een zogeheten ‘geïntegreerde aanwijzing’ bepalen naar welke dreigingen de AIVD en de MIVD kijken en met welke intensiteit.

Kortetermijnbelangen

Abels wijst erop dat politici en beleidsonderdelen vaak kortetermijnbelangen hebben, terwijl nationale veiligheid een langetermijnbelang is. Bovendien ontberen zij volgens hem de noodzakelijke kennis van de dreiging om tot afgewogen keuzes te komen. Abels: ‘Ook kan het gebeuren dat departementen of ministers bepaalde informatie of conclusies liever niet van de diensten ontvangen, omdat zij dan gedwongen zijn iets te doen wat ze niet willen of omdat het bestaand beleid in de wielen zou rijden.’

Politisering in het oog houden

Abels signaleert dat de geïntegreerde aanwijzing in de kern is voortgekomen uit een behoefte bij de diensten om de politiek mede verantwoordelijk te maken voor de moeilijke keuzes die zij moeten maken, en ook om inzicht te bieden in de consequenties voor financiën en personeel. Aan de zijde van de ontvangers van inlichtingen bestaat daarnaast een behoefte aan meer bruikbare inlichtingen waar concrete acties aan gekoppeld kunnen worden. Als de geïntegreerde aanwijzing hiervoor een oplossing moet bieden, dan is het volgens de nieuwe hoogleraar van belang dat alle partijen de risico’s van politisering van inlichtingen scherp in het oog houden en er dus verantwoord mee omgaan.

Lees de oratie van Paul Abels

Origineel artikel