Geheime diensten in de democratische rechtsstaat

Constant Hijzen

Het referendum over de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten op 21 maart heeft in ieder geval iets losgemaakt: er wordt in kleine ruimtes en grote zalen door heel het land gedebatteerd over de wet. Ook wordt er meer journalistieke aandacht aan besteed dan eerder het geval was.

Speciale uitgave Justitiële Verkenningen
Om vanuit academisch perspectief een rol in dat debat te kunnen spelen, hebben we onlangs besloten om een nummer van Justitiële Verkenningen aan deze thematiek te wijden. Samen met hoofdredacteur Marit Scheepmaker heeft Constant Hijzen namens de onderzoeksgroep Intelligence & Security van het Institute of Security and Global Affairs van de Universiteit Leiden daarom een speciaal nummer van Justitiële Verkenningen samengesteld.

Artikelen belichten de inlichtingenpraktijk
Het doel was om verschillende facetten van de inlichtingenpraktijk, die allen raken aan de thematiek van de nieuwe wetgeving, aan het licht te brengen. Daartoe hebben we een inleiding en negen wetenschappelijke artikelen gepubliceerd.

Metaforen
Vanuit een breder perspectief begon Constant Hijzen met een stuk over de manier waarop in heden en verleden over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten werd gediscussieerd. Hij neemt de metafoor als uitgangspunt en laat zien dat het onzichtbare en ongrijpbare werk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten altijd in termen van iets anders wordt besproken door burgers, journalisten, Kamerleden en politici – namelijk in termen van iets wat ze wel kennen. Metaforen lenen zich daar goed voor, vooral omdat die het gesprek in een bepaalde richting sturen. Wie de sleepnetmetafoor gebruikt, schildert de inlichtingenverzameling af als een grootschalige – té grootschalig – praktijk waarbij de hele oceaanbodem wordt leeggevist. Diensten hebben ‘bijvangst’ op hun server staan, waar ze uit de aard van hun werk helemaal niet in hoeven neuzen. In de sleepnetmetafoor ligt met andere woorden de vooronderstelling besloten dat zo’n bevoegdheid disproportioneel is. Het doel heiligt niet de middelen, menen de gebruikers ervan. In het verleden blijken andere metaforen een rol te hebben gespeeld, zoals die van de ‘Gigant in het geniep’, bedoeld om te laten zien dat een geheime dienst almachtig en oncontroleerbaar kan worden; een ‘staat in de staat’ zelfs. Anderen wilden juist betogen dat het inlichtingenwerk in Nederland weinig voorstelde en spraken daarom van een ‘veiligheidsdienst op klompen’.

Parlemantaire invloed
Eleni Braat schreef een artikel over de manier waarop het parlement omging met de veiligheidsdiensten. Zij onderscheidt verschillende houdingen die achter de debatten schuilgingen. Sommige Kamerleden (en partijen) waren steeds uitgesproken kritisch, anderen aanvaardden het bestaan van de geheime diensten klakkeloos.

Leiderschap
In het publieke domein nemen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dus een ingewikkelde positie in. Paul Abels laat zien op welke manier leiderschap van de hoofden, directeuren of directeuren-generaal van de geheime diensten van invloed kan zijn. Een diensthoofd dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst een herkenbaar gezicht geeft, met duidelijke opvattingen over de koers, kan in die verhouding tot de buitenwereld de veiligheidsdienst een stevige positie verzorgen. Gebrek aan leiderschap maakt het navigeren in de openbaarheid direct ingewikkeld.

Inhoud van de wet
In drie volgende bijdragen is de nieuwe wet zelf tot onderwerp gekozen. Rob Dielemans, werkzaam bij werkzaam bij de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, schreef op eigen titel een stuk waarin hij de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van 2002 vergeleek met die van 2017. Mireille Hagens, senior-onderzoeker bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en gastonderzoeker bij de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht, lichtte daar één specifiek punt uit: de manier waarop het toezicht op de diensten is geregeld. Hoogleraar Informatierecht Nico van Eijk en Quirine Eijkman, ondervoorzitter van het College voor de Rechten van de Mens schreven ten slotte een stuk waarin zij de belangrijkste bezwaren tegen de huidige wet op een rij zetten.

In de praktijk
In de laatste twee artikelen hebben we geprobeerd inzicht te verschaffen in de werkpraktijk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Giliam de Valk en Willemijn Aerdts, beiden verbonden aan onze onderzoeksgroep, kruipen in de huid van de inlichtingenanalist. Zij laten zien wat de logica achter het inlichtingenwerk is – en hoezeer dit verschilt van de wijze waarop in opsporing en vervolging wordt gewerkt. Peter Koop, gastonderzoeker aan onze onderzoeksgroep en bekend van het weblog Electrospaces verdiept zich in de prangende vraag wat die nieuwe bevoegdheid – toegang tot de kabel – nu precies inhoudt. Op basis van de Snowden-onthullingen laat hij nauwgezet zien om wat voor soort praktijken het nu precies gaat.

Controlerende rol parlement
In een concluderend artikel laten hoogleraar Intelligence & Security Studies Bob de Graaff en Constant Hijzen vervolgens hun licht schijnen over de artikelen in het licht van de verhouding geheime diensten-democratische rechtsstaat. Zij vragen onder meer aandacht voor de rol van de overheid zelf en de controletaken van het parlement.

Stof tot nadenken en napraten
Met deze academische bijdragen hopen we een bijdrage te hebben geleverd aan de discussie. Ze nemen je mee voorbij de krantenkoppen, en richten onze blikken op de politieke en maatschappelijke context, de wet zelf en de werkpraktijk van de diensten. En we nodigen u ook vooral uit om aanwezig te zijn bij de presentatie van dit speciale nummer. Deze vindt plaats op 20 maart om 16:00 uur in Den Haag.

 

Geef een reactie

Your email address will not be published. Required fields are marked *