De privacy-illusie

Liesbeth van der Heide

De nieuwe WIV heeft tot veel controverse geleid in Nederland, uitmondend in het referendum op 21 maart. Voor-en tegenstanders laten zich horen, waarbij voor de tegenstanders een argument heel belangrijk is om niet in te stemmen met de voorgestelde WIV, namelijk: het ondermijnt de privacy.

In de nasleep van Snowden, Wikileaks, de Panama Papers en de Pentagon Papers zijn veel mensen wantrouwig geworden als het gaat om surveillance door de overheid. Tegenstanders van de wet vrezen dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten teveel vrijheden krijgen bij het verzamelen van informatie over burgers. Het is dan ook niet voor niets dat de wet in de volksmond al snel als ‘sleepwet’ werd betiteld.

In de discussie valt op dat de argumenten aan de oppervlakte blijven. De intiatiefnemers van het referendum geven aan dat ze hopen dat door het referendum een inhoudelijk debat op gang zal komen. Tegelijk lijken ze zelf niet veel verder te komen dat platitudes als ‘privacy is een fundamenteel mensenrecht’. Gezien het feit dat de meeste mensen zelf met het grootste gemak allerlei persoonlijke data delen via internet en meerdere onderzoeken concluderen dat de gemiddelde burger geen idee heeft wat er met zijn of haar data gebeurt, lijkt er sprake van een privacy illusie. Privacy: wel heel belangrijk maar geen idee over welke privacy we het precies hebben.   

Privacy heeft altijd betrekking op de persoonlijke levenssfeer; het verwijst naar de mogelijkheid datgene wat persoonlijk wordt geacht ook te kunnen beschermen tegen de buitenstaander (de staat of de medeburger). In het debat over de WIV wordt vooral gesproken over informationele privacy, de bescherming van persoonlijke gegevens tegen inmenging of surveillance van de overheid.

Privacy wordt in het debat over de WIV neergezet als een absoluut recht dat niet geschonden mag worden (vaak met verwijzingen naar ‘onschuldige burgers’). Om twee redenen klopt die opvatting niet. Wij hebben namelijk als samenleving een afspraak met onze overheid: de staat beschermt ons als burger, in ruil voor het deels opgeven van onze privacy. In dat sociale contract vragen wij de staat ons te beschermen tegen bedreigingen van buitenaf, zoals terrorisme en criminaliteit; maar ook tegen de macht van de staat zelf. Daarmee geven wij deels onze privacy op, bijvoorbeeld fysieke privacy (waarbij de staat ons controleert als we reizen) of relationele privacy (waarbij de staat achter de voordeur ingrijpt als er sprake is van mishandeling). Privacy is dus altijd een recht dat wordt afgewogen tegen andere principes.

Een tweede misvatting over privacy als absoluut recht ligt in het verlengde van dat sociale contract. Een inlichtingendienst probeert onze veiligheid te beschermen door bepaalde gebeurtenissen te voorkomen. Dat houdt in dat ze zich per definitie bezig houdt met het in de gaten houden (soms vergaand, soms minder vergaand) met onschuldige burgers, in die zin dat de persoon in kwestie vaak nog niet iets strafbaars heeft gedaan. Vergelijk het met een snelweg waarop je ongericht metadata kunt verzamelen (welke auto’s rijden voorbij, met welke snelheid, in welke richting?) of gerichte data (waar gaat specifiek die blauwe VW naartoe, wie zit erin, waar staat de auto stil en wat doet de bestuurder?).

Kortom, veel van de critici lijken meer te strijden voor de illusie van privacy dan daadwerkelijk een inhoudelijk debat aan te gaan over de juiste balans tussen veiligheid en privacy. Daarmee is niet gezegd dat de nieuwe bevoegdheden zoals voorgesteld in de WIV per definitie onze goedkeuring verdienen. In de woorden van Larry Ellison, voormalig CEO van Oracle: “The privacy you’re concerned about is largely an illusion. All you have to give up is your illusions, not any of your privacy.” Dat betekent dat we voorbij moeten aan het argument van ‘de privacy’ en in plaats daarvan veel specifieker moeten vragen: welke privacy?