Een referendum dat er toe doet: terugblik op drie weken WIV-debatten

Paul Abels

Mijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence Services aan de Universiteit Leiden kwam op een wel heel bijzonder moment. Kort nadat de lange aanstellingsprocedure was afgerond, kregen vijf studenten van de VU het voor elkaar dat er een raadgevend referendum gehouden zou worden over een nieuwe Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV), die net door het parlement was aangenomen. Daarmee belandde mijn leerstoelthematiek plots in het middelpunt van de publieke belangstelling en het maatschappelijke debat. Ik stond daarmee voor de keus eerst rustig het academische veld te verkennen en dieper te duiken in de vakliteratuur over inlichtingenstudies, of mij nadrukkelijk te mengen in het debat. Een echte keuze was dat niet, want vele media en organisatoren van debatten wisten mij onmiddellijk te vinden, omdat ik als een van de weinige experts op dit terrein kan bogen op een lange ervaring (34 jaar) als inlichtingenproducent en – consument bij achtereenvolgens de BVD/AIVD en de NCTb/NCTV. Ik besloot de handschoen op te pakken en te doen waarvoor ik onder meer ben aangesteld: inzicht verschaffen in de taken, werkwijzen, aansturing van en controle op de geheime diensten.

Met Karin Alberts van Radio1

In totaal heb ik de afgelopen drie weken aan zeker twintig debatten en talloze interviews (NRC, Leidsch dagblad, podcasts, stemwijzers en websites meegewerkt (Radio1, BNR, 1Vandaag, Nieuwsuur, AT5). Dat hadden er nog veel meer kunnen zijn want er is wat af gediscussieerd in den lande over de WIV, door tegenstanders en onwetenden consequent  aangeduid als de ‘Sleepwet’. Mijn inbreng bestond verder uit het actief twitteren over de materie en het schrijven van diverse opinieartikelen en een hoofdstuk in een themanummer van Justitiële Verkenningen, over ‘Intelligence leadership’. Al met al een ongekend heftige vuurdoop, die ook voor mijzelf veel inzichten heeft opgeleverd, maar mij ook deed belanden in soms ingewikkelde belangenafwegingen en dilemma’s. Als wetenschapper, wiens 0,2 leerstoel wordt gefinancierd door de NCTV, en die een deel van zijn tijd ook nog in dienst is als raadadviseur van diezelfde coördinator, is het zaak steeds transparant te zijn in welke hoedanigheid je spreekt en schrijft en te vermijden dat belangenverstrengeling optreedt. Daarbij was het van meet af aan voorspelbaar dat die onafhankelijkheidsvraag door deze en gene gesteld zou worden. Toch gebeurde dat maar sporadisch, wat enerzijds ermee te maken zal hebben gehad dat de NCTV slechts in afgeleide zin belanghebbende is (ontvanger van inlichtingenproducten) en anderzijds dat mijn verbondenheid met die organisatie op geen enkele manier verzwegen is. Mijn consequente reactie op die kritiek is dan ook geweest dat men mij moet beoordelen op basis van mijn bijdragen aan de discussie en mijn argumenten.

DG AIVD Bertholee (l) en een van zijn voorgangers, Van Hulst (r.) in gesprek met de voorzitter van de CTIVD, Brouwer. Tijdens de oratie op 16 februari jl.

Het was een gelukkig toeval, dat mijn oratie gepland stond voor 16 februari, aan het begin van de hele referendumdiscussie over de WIV. Ik heb die gelegenheid aangegrepen door te keuzen voor een onderwerp dat direct met de nieuwe WIV te maken heeft, de zogeheten Geïntegreerde Aanwijzing (GA). Mijn waarschuwingen tegen de gevaren van politisering van inlichtingen door deze nieuwe vorm van aansturing van de diensten door politiek en bestuur werden weliswaar door verschillende media opgepikt, maar vonden in de debatten van de maanden die erop volgden nauwelijks weerklank. Daarin overheerste de ‘sleepnet’- bevoegdheid in de nieuwe wet in alle gesprekken, alsmede enkele aanpalende bevoegdheden, zoals het bewaren van DNA-profielen, het hacken via derden en de bescherming van advocaten en journalisten. De GA-materie was wellicht te ingewikkeld en het bleek moeilijk de politiek en ambtenarij kritisch te laten kijken naar de risico’s die verbonden zijn met hun eigen bemoeienis met de I&V-diensten. Hier keurt niet de slager zijn eigen vlees, maar willen de keurmeesters niet door anderen gekeurd worden.

Met Europarlementarier Sophie in ‘t Veld bij Jonge Democraten in Nijmegen

Naast de GA, is ook het delen van ongeëvalueerde data met buitenlandse diensten een terugkerend punt van kritiek van mij geweest in de debatten. Daarbij vond ik de meeste van de tegenstanders van de wet aan mijn zijde, zoals Amnesty, Privacy First, Bits of Freedom en – last but not least – de Piratenpartij. Tegelijk heb ik ook steeds zware kritiek gehad op de campagnes van deze organisaties, omdat deze in belangrijke mate gebaseerd waren op het zaaien van ongerustheid en angst bij de burgers op basis van een volstrekt onjuist en uitvergroot beeld van diensten die 24-uur per dag alle burgers zouden willen afluisteren en volgen.

In Tivoli-Utrecht in debat met Bits of Freedom

In de Rode Hoed met Douwtje Lettinga (Amnesty), Rob van Wijk (Leiden) en Hans de Zwart (Privacy First)

Voor een deel lijkt deze stellingname terug te voeren op een onbegrip over wat inlichtingenwerk behelst en hoe dit verschilt van opsporing en vervolging. Voor een ander deel lijkt het ook een bewuste vertekening van de werkelijkheid te zijn geweest, vanuit het campagnedoel om zoveel mogelijk tegenstand tegen de wet te mobiliseren.

Jansdebat in Goudse Sint-Jan met prof. Marc de Vries van TU Delft

Een cruciale rol in het hele proces speelde het satirische TV-programma Lubach op Zondag. Dankzij de aandacht die dit programma besteedde slaagden de vijf studenten van de VU die het initiatief namen tot een referendumaanvraag erin op het laatste moment alsnog de vereiste aantallen handtekeningen te verzamelen. In de maanden daarna bleef dit programma bezwaren tegen de WIV op quasi luchtige wijze opvoeren, waarmee het nee-kamp een geduchte medestander had in Lubach.  Daarmee verwerd satire tot journalistiek-activisme in een komisch jasje, waar voorstanders van de wet maar moeilijk tegenspel aan konden bieden. De normale journalistieke uitgangspunten van woord en wederwoord gelden hier immers niet.

Met Jelle van Buuren in Nieuwspoort

Gelukkig hanteerden de meeste organisatoren van debatten dit uitgangspunt wel, al hadden zij vaak de grootste problemen mensen te vinden die zich publiek wilden uitspreken voor de wet.

Collegetoer met Quirine Eijkman voor de Soroptimisten Gouda

Omdat ik besloot dat wel te doen, aangezien er volgens mij een goede balans zit tussen bevoegdheden en toezicht en er op details na een evaluatie over twee jaar nog gerepareerd kan worden, werd ik een veelgevraagd expert. Ook mijn oud-collega bij de AIVD, Kees Jan Dellebeke, werd veelvuldig benaderd.  Van officiële (overheids)zijde trad vooral het hoofd van de AIVD op de voorgrond, Rob Bertholee, en – in mindere mate – zijn collega van de MIVD, Onno Eichelsheim. Verder viel selfmade expert Peter Koop op, interceptie-expert, die haarfijn kan uitleggen dat het sleepnet allesbehalve ongericht is. Pas in het allerlaatste stadium traden ook de politici, verantwoordelijk voor de wet, in de arena, minister van BZK Kajsa Ollongren voorop, gevolgd door de MP, collegaministers en enkele Kamerleden. Met name Kees Verhoeven van D66 had het zwaar te verduren, omdat hij met de komst van het nieuwe coalitiekabinet  een draai van 180 graden moest maken van verklaard tegenstander naar enthousiast voorstander.

In de Balie in Amsterdam met een oud-Kamerlid van de PvdA

Inhoudelijk en procesmatig laat het referendumdebat een aantal positieve en negatieve zaken zien. Zo blijkt opnieuw dat zo’n simpel ja of nee feitelijk onmogelijk is bij dit soort, zeer ingewikkelde vraagstukken. Debat over zo’n vraagstuk is goed, maar het is van meet af aan een ongelijke strijd. Tegenstanders zijn altijd in het voordeel, omdat in campagnes alle nuances verloren gaan en een zeer breed onderwerp verkleind kan worden tot een klein onderdeeltje: sleepwet. Voorstanders moeten daar het genuanceerde verhaal tegenover zetten, wat altijd moeilijker verkoopt dan een botte nee. Ook doen tegenstanders weinig moeite aan te geven hoe het dan wel moet; dat laten zij maar al te graag aan de voorstanders over. Daarbij helpt het ook niet dat de meeste parlementariërs achterover leunen, omdat hun werk met het aannemen van de wet immers gedaan is. Zij zouden veel meer hun best moeten doen het resultaat uiteindelijk ook tegenover de kiezer te verdedigen.

Voor landelijk congres Jonge Democraten in Wilmink-theater Enschede

Uitermate positief is het politieke engagement van een grote groep jongeren. Het waren studenten die het bijna afgeschafte middel van het raadgevende referendum reanimeerden met een maatschappelijk zeer relevant thema. Anders dan bij het vorige referendum over de Ukraine ging het dit keer over iets dat iedere burger aangaat. Bovendien is het de allereerste keer in de Nederlandse geschiedenis dat er breed en uitvoerig gedebatteerd is over de vraag wat wij verwachten van I&V-diensten en tot hoever ze zouden mogen gaan. Ook zorgde de volksraadpleging ervoor dat de diensten behoorlijk uit hun oesterkramp kwamen en de natie uitlegden wat ze doen en waarom. Pure winst voor een open democratische samenleving. Burgers zijn inmiddels volwassen genoeg om te begrijpen dat diensten nodig zijn om de nationale veiligheid te beschermen. Hun bestaansrecht werd in dit debat ook door niemand meer ter discussie gesteld.

Met Dave Berghuis van de Piratenpartij in Enschede-Roombeek

Wat mij betreft doet de uitslag van het referendum er morgen niet eens meer zo toe. Belangrijk voor de toekomst en voor het vertrouwen in politiek en diensten is dat het kabinet en de Kamer de uitkomsten van de debatten serieus nemen. Zij zijn niet alleen wettelijk, maar ook moreel verplicht serieus in te gaan op de gehoorde bezwaren en commentaren en ervoor te zorgen dat deze op de een of andere wijze geadresseerd worden, om meegenomen te worden in de evaluatie, die al over twee jaar zal plaatsvinden. Ook de medewerkers van de diensten zelf en de commissies van toezicht (TIB en CTIVD) hebben ongetwijfeld goed geluisterd naar de bezwaren en zorgen van veel burgers, en ik ben ervan overtuigd dat zij deze zeker zullen meenemen in hun besluiten om te oordelen over de inzet van bepaalde bevoegdheden. Ook in dat opzicht zal deze referendumdiscussie daadwerkelijk effect sorteren.

Met Ton Siedsma van Bits of Freedom voor Studentenvereniging Lipsius in Leiden

 

In Nieuwsuur op 27 februari

 

Het Grote WIV-debat van ISGA, een thuiswedstrijd in Leiden met Peter Koop, Inge Philips-Bryan en Constant Hijzen

 

 

Verslag Het Grote WIV Debat

Maud Koper

Op 19 maart vond een debat over de Wet inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 plaats op de Spaanse Trappen van het Wijnhavengebouw van de Universiteit Leiden. Dit debat werd georganiseerd door het ISGA, Institute of Security and Global Affairs, in samenwerking met het LUSSA, de studievereniging voor de nieuwe bachelor Security Studies en de master Crisis and Security Mangement. Paul Abels, Constant Hijzen, Inge Philips-Bryan en Peter Koop lichtten vanuit verschillende oogpunten het debat rondom de Wiv 2017 toe.

Wiv 2002 verouderd
Als eerste sprak bijzonder hoogleraar Governance of Intelligence and Security Studies Paul Abels over zijn kijk op de Wiv 2017. Hij stelde dat het waardevol is dat het debat over wat we verwachten van de diensten en hoe ver de diensten mogen gaan is aangewakkerd naar aanleiding van het referendum op woensdag 21 maart. Abels acht de Wiv uit 2002 verouderd, de wereld zag er zestien jaar geleden immers heel anders uit. Het blijkt dat communicatie inmiddels voornamelijk via de kabel verloopt, waardoor het onder strikte voorwaarden mogelijk moet zijn om gericht een netje uit te kunnen werpen. Privacy mag worden aangepast, omwille de veiligheid.

Ook kritiek
Hij stipte wel twee kritiekpunten op de WIV 2017 aan. Allereerst noemde hij het gevaar van delen van ongefilterde massagegevens met andere diensten. Ieder dienst heeft natuurlijk zijn nationaal belang, en het zomaar delen van deze informatie zorgt ervoor dat er een risico bestaat dat deze gegevens misbruikt worden. Er zouden hiervoor dus extra waarborgen in de wet moeten worden ingebouwd. Als tweede kritiekpunten noemde Paul Abels de veranderde bemoeienis van de politiek met het beleid en de diensten. Vroeger werden de AIVD en MIVD gezien als ‘vissen die tegen de stroming in zwommen’, door de wet zal dit mogelijk omkeren. Politici, in plaats van professionals, zullen gaan bepalen op welk onderwerp moet worden gefocust, en dat is in de ogen van Abels problematisch.

Overheid loopt achter
Vervolgens kwam Inge Philips-Bryan aan het woord, directeur van Cyber Risk Services bij Deloitte. Zij vindt dat de overheid op dit moment niet goed geëquipeerd is om de grote golf van cyber crime in te dammen. De overheid loopt dus achter de feiten aan, terwijl de overheid zou moeten ingrijpen op het niveau van de infrastructuur. Bovendien kaartte zij aan dat niets zo gericht is als ‘ongerichte’ interceptie, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt. Ongerichte interceptie, zo benadrukte ze, is juist een gefocuste en getrechterde actie.

Toegang tot de kabels
Peter Koop, journalist en schrijver van electrospaces.blogspot.com, belichtte vervolgens de technische kant van de WIV. Hij nam de term onderzoeksopdrachtgerichte interceptie, ook bekend als ‘ongerichte interceptie’, onder de loep. Als de wet zou worden ingevoerd, zou er in Nederland op vier (geheime) locaties de mogelijkheid voor ongerichte kabeltoegang worden gecreëerd. Ook gaf hij inzicht in de gelaagdheid van deze bijzondere bevoegdheid. Hij legde uit dat er op basis van een geïntegreerde aanwijzing onderzoeksplannen met vragen en methodes worden opgesteld. Deze methodes zijn op te delen in algemene bevoegdheden en bijzondere bevoegdheden. Deze methodes mogen niet zomaar worden toegepast maar moeten voldoen aan drie wettelijke criteria: noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.

Historische achtergrond
Tot slot besprak Constant Hijzen, assistent professor bij het ISGA, de geschiedenis van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in Nederland. Hij haalde voorbeelden van brieven uit het archief aan, die klachten over de optreden van inlichten- en veiligheidsdiensten bevatten. Ook schetste hij een beeld van hoe de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vroeger, met techniek die minder ontwikkeld was dan nu, te werk gingen.

Kritische vragen uit het publiek
Op vragen uit het publiek werd vervolgens geprobeerd een antwoord te geven. Er werd besproken dat Nederland in principe wel denkbaar zou zijn zonder verdere uitbreiding van bevoegdheden zoals voorgesteld in de Wiv 2017, maar dat de achterstand die Nederland heeft dan alleen maar groter zou worden. Wat betreft het delen van ongefilterde data met andere ‘bevriende’ diensten, zou dit mogelijk moeten zijn in geval van een grote noodzaak of ernst van de dreiging. Een absoluut verbod op het delen van ongefilterde informatie met andere diensten zou ook niet ideaal zijn. Iemand in het publiek vroeg zich daarop af of het delen van deze gegevens met diensten überhaupt wel goed werkt, aangezien er al meerdere aanslagen in Europa zijn geweest. Paul Abels antwoordde daarop dat het juist daarom van belang dat diensten meer informatie kunnen verkrijgen, omdat er nu maar met snippers informatie wordt gewerkt en juist de verbanden tussen de snippers informatie van groot belang kunnen zijn in het voorkomen van een aanslag.

Geheime diensten in de democratische rechtsstaat

Constant Hijzen

Het referendum over de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten op 21 maart heeft in ieder geval iets losgemaakt: er wordt in kleine ruimtes en grote zalen door heel het land gedebatteerd over de wet. Ook wordt er meer journalistieke aandacht aan besteed dan eerder het geval was.

Speciale uitgave Justitiële Verkenningen
Om vanuit academisch perspectief een rol in dat debat te kunnen spelen, hebben we onlangs besloten om een nummer van Justitiële Verkenningen aan deze thematiek te wijden. Samen met hoofdredacteur Marit Scheepmaker heeft Constant Hijzen namens de onderzoeksgroep Intelligence & Security van het Institute of Security and Global Affairs van de Universiteit Leiden daarom een speciaal nummer van Justitiële Verkenningen samengesteld.

Artikelen belichten de inlichtingenpraktijk
Het doel was om verschillende facetten van de inlichtingenpraktijk, die allen raken aan de thematiek van de nieuwe wetgeving, aan het licht te brengen. Daartoe hebben we een inleiding en negen wetenschappelijke artikelen gepubliceerd.

Metaforen
Vanuit een breder perspectief begon Constant Hijzen met een stuk over de manier waarop in heden en verleden over de inlichtingen- en veiligheidsdiensten werd gediscussieerd. Hij neemt de metafoor als uitgangspunt en laat zien dat het onzichtbare en ongrijpbare werk van inlichtingen- en veiligheidsdiensten altijd in termen van iets anders wordt besproken door burgers, journalisten, Kamerleden en politici – namelijk in termen van iets wat ze wel kennen. Metaforen lenen zich daar goed voor, vooral omdat die het gesprek in een bepaalde richting sturen. Wie de sleepnetmetafoor gebruikt, schildert de inlichtingenverzameling af als een grootschalige – té grootschalig – praktijk waarbij de hele oceaanbodem wordt leeggevist. Diensten hebben ‘bijvangst’ op hun server staan, waar ze uit de aard van hun werk helemaal niet in hoeven neuzen. In de sleepnetmetafoor ligt met andere woorden de vooronderstelling besloten dat zo’n bevoegdheid disproportioneel is. Het doel heiligt niet de middelen, menen de gebruikers ervan. In het verleden blijken andere metaforen een rol te hebben gespeeld, zoals die van de ‘Gigant in het geniep’, bedoeld om te laten zien dat een geheime dienst almachtig en oncontroleerbaar kan worden; een ‘staat in de staat’ zelfs. Anderen wilden juist betogen dat het inlichtingenwerk in Nederland weinig voorstelde en spraken daarom van een ‘veiligheidsdienst op klompen’.

Parlemantaire invloed
Eleni Braat schreef een artikel over de manier waarop het parlement omging met de veiligheidsdiensten. Zij onderscheidt verschillende houdingen die achter de debatten schuilgingen. Sommige Kamerleden (en partijen) waren steeds uitgesproken kritisch, anderen aanvaardden het bestaan van de geheime diensten klakkeloos.

Leiderschap
In het publieke domein nemen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dus een ingewikkelde positie in. Paul Abels laat zien op welke manier leiderschap van de hoofden, directeuren of directeuren-generaal van de geheime diensten van invloed kan zijn. Een diensthoofd dat de inlichtingen- en veiligheidsdienst een herkenbaar gezicht geeft, met duidelijke opvattingen over de koers, kan in die verhouding tot de buitenwereld de veiligheidsdienst een stevige positie verzorgen. Gebrek aan leiderschap maakt het navigeren in de openbaarheid direct ingewikkeld.

Inhoud van de wet
In drie volgende bijdragen is de nieuwe wet zelf tot onderwerp gekozen. Rob Dielemans, werkzaam bij werkzaam bij de Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, schreef op eigen titel een stuk waarin hij de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van 2002 vergeleek met die van 2017. Mireille Hagens, senior-onderzoeker bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) en gastonderzoeker bij de faculteit Recht, Economie, Bestuur en Organisatie van de Universiteit Utrecht, lichtte daar één specifiek punt uit: de manier waarop het toezicht op de diensten is geregeld. Hoogleraar Informatierecht Nico van Eijk en Quirine Eijkman, ondervoorzitter van het College voor de Rechten van de Mens schreven ten slotte een stuk waarin zij de belangrijkste bezwaren tegen de huidige wet op een rij zetten.

In de praktijk
In de laatste twee artikelen hebben we geprobeerd inzicht te verschaffen in de werkpraktijk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Giliam de Valk en Willemijn Aerdts, beiden verbonden aan onze onderzoeksgroep, kruipen in de huid van de inlichtingenanalist. Zij laten zien wat de logica achter het inlichtingenwerk is – en hoezeer dit verschilt van de wijze waarop in opsporing en vervolging wordt gewerkt. Peter Koop, gastonderzoeker aan onze onderzoeksgroep en bekend van het weblog Electrospaces verdiept zich in de prangende vraag wat die nieuwe bevoegdheid – toegang tot de kabel – nu precies inhoudt. Op basis van de Snowden-onthullingen laat hij nauwgezet zien om wat voor soort praktijken het nu precies gaat.

Controlerende rol parlement
In een concluderend artikel laten hoogleraar Intelligence & Security Studies Bob de Graaff en Constant Hijzen vervolgens hun licht schijnen over de artikelen in het licht van de verhouding geheime diensten-democratische rechtsstaat. Zij vragen onder meer aandacht voor de rol van de overheid zelf en de controletaken van het parlement.

Stof tot nadenken en napraten
Met deze academische bijdragen hopen we een bijdrage te hebben geleverd aan de discussie. Ze nemen je mee voorbij de krantenkoppen, en richten onze blikken op de politieke en maatschappelijke context, de wet zelf en de werkpraktijk van de diensten. En we nodigen u ook vooral uit om aanwezig te zijn bij de presentatie van dit speciale nummer. Deze vindt plaats op 20 maart om 16:00 uur in Den Haag.

 

De mening van studenten over inlichtingen- en veiligheidsdiensten, deel 2

Tim Dekkers

In het vorige blog zijn we ingegaan op een kleine enquête die is afgenomen onder studenten Crisis and Security Management die het vak World of Intelligence volgen. In dit blog zullen we de resultaten hiervan verder bespreken. Hierbij zullen de stellingen waarover studenten hun mening hebben gegeven centraal staan.

De eerste stelling is “ik vind privacy belangrijker dan veiligheid.” Dit is een klassiek dilemma dat ook in het debat rondom de nieuwe WIV veelvuldig naar voren komt. Onderstaande grafiek geeft aan dat hoewel studenten grotendeels hun veiligheid vooropstellen ze gedurende de collegereeks van World of Intelligence iets meer naar de kant van privacy zijn gaan leunen. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat tijdens de collegereeks de methoden en bevoegdheden van inlichtingendiensten vanuit verschillende optieken aan bod is gekomen en studenten hierdoor een ander perspectief hebben gekregen op de spanning tussen veiligheid en privacy (zie ook de blog van Liesbeth van der Heide).

De tweede stelling is “inlichtingendiensten maken mijn land veiliger.” Als eerste moet opgemerkt worden dat op beide meetmomenten studenten positief staan ten opzichte van deze stelling, gezien geen enkele student het oneens is met de stelling en slechts een klein aantal neutraal ten opzichte van de stelling is. Wel blijkt dat studenten in de tweede enquête iets gematigder zijn in hun overtuiging. Mogelijk heeft de complexiteit rondom inlichtingenwerk zoals dat tijdens het vak besproken is hieraan bijgedragen.

De derde stelling die aan studenten is voor gelegd is “inlichtingendiensten hebben meer bevoegdheden nodig om de maatschappij te beschermen.” Op beide momenten zien we een aardige verdeling onder de studenten. Wel kunnen we waarnemen dat gedurende het vak studenten iets meer neigen naar een neutraal of negatief antwoord op de stelling. In het vak zijn de mogelijkheden van inlichtingendiensten veelvuldig aan bod gekomen, waardoor studenten mogelijk van mening zijn dat de huidige kaders voldoende ruimte bieden aan de diensten.

Als vierde hebben we studenten gevraagd te reageren op de stelling “ik vertrouw erop dat inlichtingendiensten hun bevoegdheden zorgvuldig en verantwoord toepassen.” Hierin zien we dat de mening van de studenten over het algemeen positief is: veruit de meeste studenten geven aan het eens te zijn met de stelling. Wel zien we dat gedurende het college het vertrouwen in de diensten iets toeneemt. Tijdens de collegereeks hebben ook veel mensen uit de praktijk van inlichtingenwerk een gastcollege gegeven over waar zij dagelijks mee bezig zijn. Mogelijk heeft deze kijk op de praktijk aan de toename in vertrouwen door studenten bijgedragen.

De vijfde stelling die aan studenten is voorgelegd is “er is voldoende toezicht en controle op de inlichtingendiensten.” Hierin zien we het grootste verschillen tussen de twee meetmomenten van alle stellingen. Waar studenten in eerste instantie voornamelijk neutraal antwoordden, zijn ze na het vijfde college het grotendeels eens met deze stelling. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat het vijfde college ging over toezicht over de diensten en hebben studenten onder andere een gastcollege gekregen van Mireille Hagens, onderzoeker bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten. Het is daarmee mogelijk dat de verse informatie over het toezicht de antwoorden van hebben beïnvloed studenten.

Als laatste hebben we nog aan studenten gevraagd of er punten waren waarover zij van mening waren veranderd. Uit deze opmerkingen blijkt dat studenten met over het toezicht en controle van mening andere inzichten hebben gekregen. Het commentaar richt zich met name op hoe belangrijk toezicht is, met name wanneer de diensten steeds meer bevoegdheden krijgen. Echter zijn ook deze nieuwe inzichten mogelijk geen toeval gezien het net gevolgde college over toezicht. Desondanks is het bovenstaande aan aanwijzing dat in de communicatie rondom de nieuwe WIV het toezicht in het bijzonder nog meer aandacht dient te krijgen.

Lees ook deel 1 van Tim Dekkers’ blog

Onderbelichte onderwerpen in het huidige WIV-debat

In het Reformatorisch Dagblad van 27 februari 2018 schreven de hoogleraren Paul Ducheine en Bas Rietjens (Nederlandse Defensie Academie) een opinieartikel waarin zij vijf thema’s belichten die ontbreken in het debat over de nieuwe Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV) of die verdraaid worden weergegeven.

We plaatsen een link naar dit stuk graag ook op onze eigen blog, omdat het een mooi inzicht geeft in de reikwijdte van de wet. In het debat komt vaak maar een van de nieuwe bevoegdheden aan bod, terwijl er veel meer zaken in deze wet worden geregeld. De militaire component blijft in het huidige debat sterk onderbelicht. Juist ook als het gaat om de ‘onderzoeksopdrachtgerelateerde interceptie’ – is het militaire perspectief van groot belang. Zoals Constant Hijzen hier al aangaf, zal de MIVD, en misschien wel vooral de MIVD, zal die bevoegdheid inzetten in het buitenlandse inlichtingenwerk. Onder andere daarom voegt het artikel van Ducheine & Rietjens veel toe aan de huidige discussie naar aanloop van het referendum over de WIV op 21 maart.

Het volledige artikel is ook hier te lezen.

Reformatorisch Dagblad: WIV-debat geeft valse voorstelling van zaken

Omdat er alleen wordt gefocust op de inperking van vrijheden, zonder oog voor de báten van veiligheid, is het WIV-debat misleidend, betogen Paul Ducheine en Bas Rietjens.

Verblinding door wantrouwen of onwetendheid? Of oprechte bezorgdheid over onderdelen van de wet? Het debat over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (WIV) staat bol van een valse voorstelling van zaken, gebaseerd op onkunde of demagogie.

Het debat (en het bijbehorende referendum) doet geen recht aan de veiligheidsbehoefte van Nederland, van burgers en bedrijven. En evenmin aan de opbrengsten en kosten van veiligheid. Laat staan aan de noodzaak van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) in onze democratische samenleving. We noemen vijf ontbrekende of ‘verdraaide’ thema’s.

Amoreel
Allereerst gaat het debat voorbij aan het feit dat het verschaffen van veiligheid een fundamentele overheidstaak is. Veiligheid waardoor burgers zich kunnen ontwikkelen, bedrijven kunnen produceren en de overheid haar andere taken, zoals zorg en onderwijs, kan uitvoeren. Veiligheid als randvoorwaarde voor samenleven, voor economie en voor soevereiniteit. Voor het kunnen genieten van rechten en vrijheden.

In de tweede plaats: voor zover veiligheid een rol speelt, is dat helaas in de misleidende discussie over ”veiligheid versus privacy”. Dit is echter maar één aspect van de ware spanning in (het wetgevingsproces van) de WIV. De echte vraag is namelijk hoeveel veiligheid burgers en bedrijven van de staat verlangen, welke kosten (in de vorm van belastingen en overdracht van rechten) dit vergt en wat ze daarvoor (in de vorm van welzijn en welvaart) terugkrijgen.

De wetgever heeft deze integrale keuze vorig jaar al gemaakt, maar in het referendum speelt slechts de privacydiscussie een rol. Alsof niemand zich realiseert dat veiligheid opeisen zonder daarvoor de nodige middelen (begroting en bevoegdheden) te verschaffen amoreel is en aan hypocrisie grenst! Wel de lusten maar niet de lasten…

Toezicht
Ten derde blijkt er nauwelijks inzicht te bestaan in de begrenzing van het handelen van de eerdergenoemde diensten. Want hoe ingrijpender de (bijzondere) bevoegdheden van de diensten zijn, hoe ‘strakker’ de begrenzing, het toezicht en de verantwoording moeten worden geregeld. Dat bijvoorbeeld die expliciete begrenzing van de bevoegdheden wel degelijk in de nieuwe WIV wordt geregeld, is een van missers in het debat.

Zo heeft de wetgever de taken van de diensten concreet en compleet opgesomd en mogen de bevoegdheden alleen voor de in de WIV genoemde taken worden aangewend. Telecommunicatie mag dus zeker niet lukraak en ongebreideld worden onderschept, zoals sommige tegenstanders van de WIV ons willen doen geloven.

Om dit te borgen, wordt intern en extern toezicht gehouden. Intern door leidinggevenden (die hebben een eed of belofte afgelegd) en een stafafdeling, zoals juridische zaken binnen de diensten en op de ministeries. Extern gebeurt dit door een onafhankelijke toetsingscommissie, die vooraf de inzet van een aantal zware bevoegdheden toetst en kan blokkeren. De onafhankelijke Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) controleert het gehele proces, rapporteert aan de Tweede Kamer en behandelt eventuele klachten.

Ingewikkeld
Hoewel de neutrale Referendumcommissie waardevol werk verricht, is in de vierde plaats de uitleg van de WIV nog steeds een lijvige voorlichtingsbrochure van 33 pagina’s. Bovendien is de WIV zelf een typisch product van wetgevingsjuristen en dus ingewikkeld. Met de even onvermijdelijke als weinig begrepen trits van ”noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit”.

Deze trits begrenst eveneens. De inzet van bevoegdheden moet noodzakelijk zijn voor (en binnen de grenzen van) de taakstelling. Ofwel, de gezochte inlichtingen zijn bijvoorbeeld nog niet uit open bronnen of eerder onderzoek beschikbaar.

Bovendien moet eerst de minst zware bevoegdheid worden overwogen. Bijvoorbeeld de telecommunicatie van één persoon die mogelijk een aanslag tegen Nederlandse troepen voorbereidt, gericht onderscheppen in plaats van het scannen van de metadata bij een telecomprovider. Ook dán moet die bevoegdheid proportioneel zijn voor het doel van de inzet. Bijvoorbeeld: de impact op de privacy van de desbetreffende persoon weegt op tegen het belang dat beschermd wordt.

Missiegebieden
Ten vijfde: wat weinigen zich realiseren, is dat met name de MIVD moet bijdragen aan de effectiviteit van militaire missies en de veiligheid van ingezette militairen. Daarvoor zijn tijdige inlichtingen over missiegebieden en strijdgroepen nodig. Zodat die missies een kans van slagen hebben en militairen zo veilig mogelijk hun werk kunnen doen. De meeste missiegebieden (potentiële of actuele) zijn immers geen omgeving waar die cruciale informatie open en bloot te vergaren valt.

De inzet van bijzondere bevoegdheden moet dit manco repareren. Bijvoorbeeld door communicatie naar of over een missiegebied te onderscheppen.

Nuance
Met het platslaan en simplificeren van het debat verdwijnt helaas ook de nuance. Die nuance is zo essentieel bij dit complexe veiligheidsvraagstuk. Een vraagstuk waarin de driehoeksrelatie tussen veiligheid, opbrengst en kosten centraal staat. Veiligheid eisen of daarvan profiteren, maar de ‘gereedschappen’ zoals bevoegdheden niet verstrekken is hypocriet. Veiligheid kan onmogelijk gevraagd (en geboden) worden zonder inperking van vrijheden, waaronder privacy. Daarbij moeten óók de baten, het welzijn en de welvaart meegerekend worden. Doen we dit niet, dan is de voorstelling van zaken even bizar als vals.

Brigadegeneraal prof. mr. Paul Ducheine is hoogleraar cyber operations. Prof. dr. ir. Bas Rietjens is hoogleraar inlichtingen en veiligheid. Beiden zijn verbonden aan de Nederlandse Defensie Academie.

Vermaatschappelijking AIVD dringend noodzakelijk

Paul H.A.M. Abels

We leven niet meer in de tijden van de Koude Oorlog. Toen ik in 1984 begon als analist bij de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) was inlichtingenwerk nog vooral een ragfijn spel van spionnen ontmaskeren, hen persona non grata verklaren en daarna weer gaan speuren naar diens opvolger, teneinde ook deze weer te betrappen op activiteiten die in strijd waren met zijn (vaak diplomatieke) status. De toenmalige BVD deed zijn werk in stilte. Weinig Nederlanders wisten van het bestaan van deze dienst en weinigen hadden er een mening over. Hoe anders is het tegenwoordig. Door nieuwe dreigingen als terrorisme, extremisme, inmenging, cyberaanvallen en heimelijke politieke inmenging door vreemde mogendheden raakt het inlichtingenwerk vele onderdelen van het maatschappelijk leven. En iedereen heeft er een mening over.

Toezicht op geheime diensten
Inmiddels is de tijd ook voorbij dat diensten in het diepste geheim en buiten elk zicht van politiek en samenleving hun werk kunnen doen. In een moderne, transparante democratie moeten zelfs inlichtingen- en veiligheidsdiensten rekening en verantwoording afleggen over hun doen en laten. Hun bevoegdheden zijn nauwkeurig omschreven en de inzet ervan aan strikte criteria gebonden. De oude wet die het werk van de diensten reguleerde, uit 2002, regelde al sterk en onafhankelijk toezicht achteraf door een Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTIVD). In de nieuwe wet, waarover op 21 maart een referendum wordt gehouden, is dit onafhankelijke toezicht verder versterkt, door ook een onafhankelijk oordeel vooraf te organiseren met een nieuwe Toezichtscommissie Inzet bevoegdheden (TIB). Ook zijn er bijzondere bepalingen geformuleerd over bijvoorbeeld het onderzoeken van journalisten en advocaten en is er een klachtencommissie toegevoegd aan de CTIVD. Burgers kunnen zich wenden tot die commissie als zij denken door de diensten benadeeld te zijn en het oordeel van deze commissie is bindend.

Meer transparantie
Met de WIV 2017 is formeel zeer veel van het werk van de diensten geregeld en gereguleerd, maar impliciet bevat de nieuwe wet ook een opdracht aan de diensten om meer dan in het verleden transparant te zijn over hun keuzes, werkwijzen en resultaten. Tegelijk mogen de diensten natuurlijk geen geheimen prijs te geven waarvan het bekend worden schadelijk is voor het inlichtingenwerk, de bronnen of de nationale veiligheid. Dat diensten een natuurlijke neiging tot ‘oesteren’ hebben is daarom begrijpelijk, maar deze oesterkramp zal daadwerkelijk doorbroken moeten worden. Het huidige debat in het kader van het WIV-referendum maakt dit meer dan duidelijk. Burgers willen begrijpen waarom wij geheime diensten nodig hebben, hoe ze in grote lijnen tewerk gaan en hoe ze worden gecontroleerd en afgerekend. Zij verwachten dat de diensten en hun politiek-ambtelijke leiding hierover helder communiceren.

Vertrouwen van de burger
Voor de diensten zelf zijn vertrouwen en maatschappelijk draagvlak ook van groot belang. Er moet niet alleen politiek draagvlak in de Kamer zijn voor hun werk. Zij hebben ook de steun nodig van burgers en bedrijven. Als geen ander zijn de diensten immers afhankelijk van hun medewerking bij het vergaren van informatie. Zij zullen altijd mensen nodig hebben die bereid zijn als informant op te treden of zelfs als agent in een riskante omgeving, ook hebben ze hulp van bewoners of bedrijven nodig als zij afluisterapparatuur willen plaatsen bij een target of digitale communicatie willen onderscheppen. Zelfs voor het inwinnen van informatie in het kader van veiligheidsonderzoeken voor bijzondere vertrouwensfuncties moet er aangebeld kunnen worden bij buren, vrienden of collega’s van betrokkene.

Geheime dienst en maatschappij
Om dit vertrouwen van de burgers te winnen en te behouden zullen de diensten meer dan voorheen moeten communiceren. Nu gebeurt dat vooral door het diensthoofd, maar er zijn tal van andere manieren waarop informatie en inzicht geboden wordt over de dreigingen waarmee ons land te maken heeft en wat er tegen gedaan kan worden. Te denken valt aan het jaarverslag, open rapportages, achtergrondgesprekken met journalisten, maar ook presentaties en colleges voor bedrijven, studenten en andere geïnteresseerden. Het referendumdebat is in dat opzicht een goede aanzet voor een verdere vermaatschappelijking van de dienst, die dringend noodzakelijk is in een moderne democratische samenleving. Noodzakelijk voor de burgers, voor de diensten én de nationale veiligheid.